In beeld #3

Een huid zo wit als sneeuw, lippen zo rood als bloed, haar zo zwart als ebbenhout… Dat moet wel Sneeuwwitje zijn. En, welk beeld van haar heb jij in je hoofd? Vast dat van Walt Disney, is het niet?

763

Het meisje met de allerliefste oogopslag van alle sprookjesfiguren. (En sinds 1937 poetst ze ook zo graag.)

Ja, de toverspiegel had gelijk: het is waarachtig een heel mooi kind. De verzinnebeelding van pure onschuld.

Maar kan jij je Sneeuwwitje ook anders voorstellen? Zo bijvoorbeeld…

DSC_0463 (2)

Ook dit kan Sneeuwwitje zijn @ Piet De Loof en Benjamin Lacombe (ill.)

Is het even schrikken? Want Sneeuwwitje is hier sensueel, zinneprikkelend en zwoel. In deze illustratie legt het lieve meisje het strakke keurslijf van de gebroeders Grimm en Walt Disney af. De Grimms en Disney legden haar verhaal als onveranderlijk vast. En zo bepaalden een stiefmoeder, een toverspiegel, een jager, een heigh-ho heigh-ho dwerg of zeven, een giftige appel en oef! gelukkig ook een knappe prins ons literair geheugen. Onderweg verloren we helaas de essentie van het sprookje. Voorheen werden deze volksverhalen immers aan (jong)volwassenen verteld – vaak als initiatieverhaal, en werden ze voortdurend bewerkt. Ze waren gruwelijk, ruw, onbeschaamd en duidelijk seksueel getint. Sprookjes als suikerzoete toverglans voor kinderen? Geen sprake van!

Dus, komaan Sneeuwwit! Laat die bezem staan, gooi je haren los en laat eens zien wat voor vuur in jou brandt. Yalla!

 

In beeld is een aparte rubriek: omdat beelden verder reiken dan woorden, het onverwoordbare kunnen verwoorden. (omschrijving van illustratrice Sabien Clement)

Ons papieren museum*

Het moet een gek gezicht geweest zijn, daar in de imposante Bruegelzaal van het Kunsthistorisches Museum in Wenen: een vierjarig meisje met haar duimpje in de mond dat steeds hardnekkiger aan de arm van haar moeke trekt, dreinend dat ze nú haar ijsje wil – het ijsje dat we zoals de sappige wortel voor de nukkige ezel na het museumbezoek hadden beloofd. Drie schilderijen kon ik haar bede weerstaan tot ik uiteindelijk met veel hartzeer de grootste Bruegelverzameling ter wereld moest achterlaten. (Gelukkig kon ik op een later tijdstip alleen en in alle rust terug.)

Wel ja, het is natuurlijk veel gemakkelijker om zonder kinderen naar musea of expo’s te gaan. We kozen er echter bewust voor om onze dochters al van kleins af aan onder te dompelen in kunst en cultuur. Ook al ging een bezoek wel eens gepaard met verveelde gezichten en een hoop gemopper.

Ik was destijds bijzonder verheugd om eindelijk de kunsttempel in Wenen te kunnen betreden. Niets gaat boven kunstwerken in het echt zien. En zij hebben op hun beurt onze ogen en onze aandacht nodig om werkelijk te bestaan. (En ook onze oren om ons te verleiden en toe te fluisteren: zie ik je gauw terug?) Maar al die parels en verborgen schatten hier en daar en ginds, daar kunnen we helaas niet zo maar heen. Dus reizen we naar onze papieren musea.

Keuze genoeg, ook wat het aanbod kunstboeken voor kinderen betreft. Over Appel, Bruegel, Bosch, Kandinsky, Magritte, Mondriaan en Rembrandt zijn er (prenten)boeken, maar ook over onder meer Jawlensky, Matisse, Toorop en Schiele. Een groot deel ontstaat uit de intense samenwerking tussen Gemeentemuseum Den Haag en Uitgeverij Leopold die sinds 2010 bij grote tentoonstellingen ook kinderkunstboeken uitbrengen met een vrije interpretatie van kunstenaar, leven en werk. 23 zijn er al gepubliceerd. Drie – en- twintig! Op dit vlak blijven Vlaamse uitgeverijen en musea vér achter, helaas. En waar blijven de stapels  kinderkunstboeken in de Vlaamse en Brusselse museumshops? Wat een gemiste kans is dit toch. (in Kazerne Dossin in Mechelen bijvoorbeeld is steeds een mooie keuze aan kinder- en jeugdliteratuur over oorlog en migratie beschikbaar.)

DSC_0400

Een catalogus én een kinderkunstboek bij een grote tentoonstelling. Dat is de evidentie zelve in Gemeentemuseum Den Haag.

Hoe mooi, boeiend en prikkelend is het resultaat wanneer het boek het jeugdige publiek ernstig neemt, hen iets wil bij leren zonder de lat te laag te leggen. Hierbij moet ik echt Ted van Lieshout vermelden: auteur, illustrator, beeldend kunstenaar en rasverteller die ook verscheidene originele kunstboeken voor kinderen en jongeren op zijn naam heeft. Zo gidst hij ons in Stil leven met een persoonlijke selectie door de Westerse kunstgeschiedenis. Op aanstekelijke wijze doet hij de lezer kijken en nadenken. En hij is heerlijk eigenzinnig, ietwat tegendraads soms: “Omstreeks 1425 werd Masaccio de meesterschilder van Italië gevonden. Dat heb ik gelezen, want anders had ik het niet geloofd. Toen ik zijn Jezus aan het kruis voor het eerst zag, dacht ik dat er een kluns aan het werk was geweest. Hij schilderde een Jezus zonder hals!” Deze opmerking neemt hij uiteindelijk terug, hoor. Maar wie anders zou zoiets durven schrijven? Had elke jongere maar zo’n boeiende leerkracht kunstgeschiedenis!

Dé favoriet van mijn kinderen is evenwel  Thé Tjong – Khing die met Kunst met Taart en Bosch: het vreemde verhaal van Jeroen, zijn pet, zijn rugzak en de bal… twee woordeloze prentenboeken over kunst maakte.

DSC_0401

Zo herkenbaar en toch steeds uniek.

Hoe doet Thé Tjong – Khing het toch? Want ook deze boeken hebben het stramien van zijn andere beeldverhalen, namelijk een spannende, avontuurlijke achtervolging om iets terug te halen (bij voorkeur een taart) waarbij we steeds meer verhaallijnen ontdekken. Geen woorden in deze boeken maar des te meer verhalen. We herkennen dit alles van vroeger werk en toch weet hij ons steeds heerlijk te verrassen. De magie van de Nederlandse meester kan ik vast wel omstandig analyseren en toelichten. Maar weet je wat, laat je zelf eens door hem betoveren. En ben je 6, 46 of 86 jaar… wat maakt het uit? Thé Tjong – Khing was zelf 83 toen hij Bosch’ verhaal creëerde!

 

* Naar het boek Papieren Museum: De engel met twee neuzen van Ted van Lieshout

De een en de ander

In de hoge eikenbomen waar onze eekhoorn zich zo thuis voelt, blijkt ook nog een ander dier te wonen: de processierups. Een leuke naam voor een dier, maar ‘t is geen gezellig beestje. Dat mocht mijn man na een middag werken in de tuin aan den lijve ondervinden – letterlijk. Terwijl hij de snoodaards vervloekte, stelde ik me het leven van zo’n processierups voor. Hoe die zich dwars door een appel, twee peren, drie pruimen, vier aardbeien, vijf sinaasappels, een stuk chocoladetaart, een ijsje, een zure bom, een plak kaas, een stuk salami, een lolly, een stuk kersenvlaai, een worstje, een cakeje, een stuk meloen en tot slot een groen blaadje heen eet. Om uiteindelijk een wonderschone vlinder te worden. Een levendige fantasie, zeg je? Wel, mijn beelden leende ik integraal van Rupsje Nooitgenoeg, de klassieker van Eric Carle (1929).

Wie kent Rupsje Nooitgenoeg niet? Generaties peuters en kleuters wereldwijd leerden thuis, op school of in de kinderopvang met deze schrokop tellen, de dagen van de week benoemen en fruit en lekkernijen herkennen. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Van een klassieker gesproken. (En het fijne is: in het Nederlands is zijn naam veel mooier dan in de oorspronkelijke titel: The very hungry caterpillar.)

DSC_0269

Badboekjes, knisperboekjes, klein formaat, reusachtige boeken of welke vorm dan ook: altijd op zoek naar eten, deze rups.

 

Onlangs werd Rupsje Nooitgenoeg vijftig jaar oud. Een rups van vijftig jaar….God verhoede dat onze processierups dat voorbeeld volgt!

 

Over dul zijn en dol zijn

Er is geen plek ter wereld waar ik nu liever zou vertoeven dan… Wenen, de oude keizerstad. En meer bepaald in het Kunsthistorisches Museum voor de majestueuze tentoonstelling over Pieter Bruegel de Oude. Ik lees en hoor dat dit exclusieve overzicht met tweederde van zijn schilderijen en de helft van zijn tekeningen de eerste vijftig jaar niet meer georganiseerd zal worden. Vijf-tig jaar, mijn God! Dan ben ik… 91. Zucht. Diepe zucht.

Want: wat houden wij van Bruegels fijnzinnige penseeltrekken, zijn compositorisch vernuft, zijn speelse eigenzinnigheid. Onze bewondering voor de Oude Meester wilden we dan ook graag al vroeg aan onze kinderen meegeven. “Bruegel? Die kennen wij al lang hoor!” zeiden ze achteloos. Of ze die dan van school kenden? Nee hoor, was hun antwoord, via een strip van Suske en Wiske. Ach ja, natuurlijk! Die heerlijke strip De Dulle Griet waarin zij door Barabas’ teletijdmachine naar het heden wordt geflitst, overal onheil aanricht en het in het bijzonder op Schanulleke heeft gemunt. Tja, een helleveeg die hun favoriete lappenpopje zo onheus behandelt, vergeten ze van hun leven niet.

Pieter Bruegel is zo veel meer dan de schilder van de “dansende boeren”. Dat bewijzen ook enkele jeugdauteurs en illustratoren die uit zijn rijkelijke oeuvre putten om hun eigen Bruegeliaanse wereld te scheppen. Er is de Dulle Griet van Geert De Kockere en Carll Cneut; met het mes tussen de tanden, stoutmoediger dan ooit gaat ze zélf de duivel in de hel halen. Of we dromen in de zwierige etsen van Arnoud Wierstra mee met een man die vliegen wil terwijl arbeiders naarstig aan de Toren van Babel bouwen (Babel). En bovenal is daar de goedmoedige jager van Sassafras De Bruyn (of is het zijn dartele hond?) die met ons via Bruegels wereld uiteindelijk naar zijn eigen paneel reist (De jager en zijn hond).

Drie prentenboeken als streling voor het oog. Ze gidsen kinderen heel spontaan in Bruegels beeldtaal en wereld. En of kinderen op die manier Bruegel leren waarderen!  En die bewondering zal blijven. En zo gebeurt het dat tijdens een gesprek over een eventuele orthodontische behandeling één van de kinderen vertwijfeld uitroept – en dit is geen verzinsel: “Maar ik wil helemaal geen breugel!”.

 

Ook niet in Wenen geraakt? Ach, dan bouwen we toch gewoon ons eigen museum via: www.insidebruegel.net

Nachtpannenkoeken

Mijn jeugd bracht ik door op de boerderij; mijn ouders waren landbouwers. Werk genoeg dus en weinig vrije tijd. Weekdag, weekend en zondag liepen in elkaar over. Ook Oudejaarsavond was een doordeweekse dag.

Tot mijn moeder na haar avondwerk, zo tegen negenen, de mouwen opstroopte, melk, bloem en eieren mengde, de koekenpan verhitte en de eerste pollepel beslag vulde. Joepie, pannenkoekentijd! En wij – mijn vader, twee broers en ik – zaten met ons bestek in de handen, klaar om aan te vallen want we waren hongerig en ongeduldig. “Duurt het nog lang, mama?” (Nu ik er aan terugdenk: onbeschaamde vlegels waren we.)

Die herinnering heb ik bij me wanneer ik Nachtpannenkoeken van Wouter van Reek voorlees. In dit prentenboek besluit Keepvogel ‘s nachts pannenkoeken te bakken en zorgt zijn pientere hondje Tungsten voor een immense bende gasten. Nachtpannenkoeken of één van de vijf andere Keepvogelboeken heb ik vaak bij me in mijn voorleeskoffer. Ik probeer graag nieuwe verhalen uit, maar het is fijn een boek bij te hebben dat het zeker goed zal doen.

Keepvogel: een bron van vreugde.

Keepvogel: een bron van vreugde.

Ook mijn kinderen hebben een groot hart voor Keepvogel. “Ooo, Keepvogel!” juichten ze bij het zien van de boeken en vlijtig begonnen ze er opnieuw in te bladeren. Waarom ze de Keepvogelboeken zo goed vonden, vroeg ik hen. Tja, waarom? Dat konden ze niet meteen in woorden vatten: hun hart voelt duidelijk meer dan hun hoofd kan bedenken.

Het laatste Keepvogelboek dateert reeds van 2011. Zou Wouter van Reek (die Keepvogel trouwens eerst als animatiefiguurtje voor Villa Achterwerk bedacht) nog nieuwe verhalen plannen? Wij hopen hard van wel want we missen Keepvogel. En we willen meer. Veel meer. Net zoals bij de pannenkoeken destijds.

 

 

Als de kat in huis is

Zweden en kinderboeken…Dan denken we spontaan aan Astrid Lindgren.
Pippi Langkous, Lotta en haar broer en zus, Madieken en Liesbet, de kinderen van Bolderburen,…Het zijn al decennia lang kameraadjes.

Wel, niet alleen zij, ook een oude man en zijn poes hebben de Zweedse kinderharten veroverd: Pettson en Findus, de populaire boekenreeks van Sven Nordqvist.
Ook mijn kinderen zijn Opa Pettson en in het bijzonder zijn poes Findus zeer genegen. (“Als we een poes krijgen, noem ik hem Findus!”) Samen rond het prentenboek waanden we ons echt bij hen thuis, in hun weinig ordelijke maar gezellige houten, rode huisje. ‘s Ochtends wandelden we samen naar het kippenhok. We smulden mee van de pannenkoekentaart om drie maal per jaar de verjaardag van Findus te vieren. En we grinniken om de mukkels, fantasiewezentjes die in de illustraties hun eigen verhalen beleven.

PEttson en Findus2e

@ Sven Nordqvist, Vossenjacht/Pettson gaat kamperen/Pannenkoekentaart/Toen Findus klein was. Uitgeverij Davidsfonds

Pettson en Findus zijn in Zweden een echt begrip. (Ik zag één van hun boeken eens opduiken in een Zweedse T.V.-reeks.) Het onafscheidelijke duo maakt zelfs deel uit van de immobiliënwereld. Een Zweedse kennis van mijn man vertelde dat het typische Zweedse houten, rode (zomer)huisje op het platteland – de droom van veel Zweden als tweede verblijf- aangeprezen wordt als “een huisje van Pettson en Findus”.

Zweeds huisje

Een huisje van Pettson en Findus. @ Travel Bird

Een huisje van Pettson en Findus…klinkt aanlokkelijk want gezelligheid verzekerd!
Of toch eerst even binnengaan in dat peperkoekenhuisje met die aardige oude vrouw? We blijven niet lang hoor.

(Opgedragen aan poes Spatje, de jonge kater van onze twee neefjes. Met zijn olijke capriolen doet hij me aan Findus denken. Geef die poes een groen petje en een groen gestreept broekje, dacht ik, en daar heb je nog een Findus.)

Een stukje uitgeknipte hemel

Een heerlijke zomerdag. Theetijd op ons terras. Onze vlinderstruik buigt eerbiedig voor zijn bezoekers.

Mijn blik volgt een koolwitje, een kleintje, “dat naar me toe fladdert, nooit in een strakke lijn, altijd wat onzeker, op en neer zigzaggend en dwarrelend“. (Geert De Kockere). Spontaan denk ik aan woorden en beelden die deze natuurpracht proberen te vatten; die prachtige beestjes “zo mooi als een stukje uitgeknipte hemel“. (Annemarie van Haeringen).

Vlinder

(c) In wijzerzin: Rébecca Dautremer, Het bos slaapt, Uitgeverij Davidsfonds. Annemarie van Haeringen, Beer is op Vlinder, Uitgeverij Leopold. Eric Carle, Rupsje Nooitgenoeg, Uitgeverij Gottmer Edward van de Vendel en Carll Cneut, Eén miljoen vlinders, Uitgeverij De Eenhoorn

Er is het hongerige Rupsje Nooitgenoeg dat zich in de klassieker van Eric Carle na een waar eetfestijn ontpopt tot een schitterende vlinder. Er is de weldadige kleurenpracht van Carll Cneut (“Een miljoen vlinders“); de ingetogen schoonheid van Rébecca Dautremer (“Het bos slaapt“); de vederlichte penseelstreken van Annemarie van Haeringen (“Beer is op Vlinder“).
Er is ook het koolwitje van Bart Moeyaert (“De vlinder en de rechte lijn“) dat ons stof tot nadenken geeft.

Wat denk je: is de vlinder altijd onderwég of is de vlinder altijd érgens?