Kijk – wijzer

Elk jaar ontdek ik er minstens eentje tussen de lezers uit het derde en vierde leerjaar voor de Leesjury (voorheen KJV, Kinder – en Jeugdjury): een tekstkind.
Deze term behoort geloof ik niet tot het officiële vakjargon, ik heb het ook niet zelf bedacht, vast ergens opgepikt. Een tekstkind is een kind dat de letters op papier gretig opslorpt maar achteloos over de illustraties heen kijkt. In de boeken voor hun leeftijd staan vaak nog (veel) tekeningen en toch hebben ze er nauwelijks aandacht voor, alsof ze niet bestaan. Weinig aan te doen, dat is nu eenmaal hun manier van lezen.

Woorden én illustraties in de boeken voor de Leesjury.

Tekstkind of niet, gericht kijken naar illustraties is een leerproces, een vaardigheid die we via sturende vragen kunnen stimuleren. Deze vorming is belangrijk om voorbij snelle oordelen als mooi/niet mooi, leuk/niet leuk te gaan en zo hun blik te verruimen en te onderbouwen. Vragen over kijken naar illustraties (en naar kunst tout court) zijn doorgaans geïnspireerd op Parsons’ theorie over de vijf ontwikkelingsfases (“brillen”) van kunstbeleving. Dit raamwerk gebruik ik zelf ook bij de analyse en beoordeling van illustraties bij recensiewerk. Voorheen probeerde ik vaak in een oogopslag mijn mening te vormen. Dat lukte zelden – logisch! Ik bleef aan de oppervlakte dobberen en had moeite om mijn observaties in woorden te vatten. Nu neem ik mijn tijd en stel ik mezelf telkens dezelfde cruciale vraag: wat zie ik nu precies?
Gericht kijken vraagt tijd en geduld. Naar lijnen, vormen, kleuren, compositie, details, materiaal. Het is kijken in veelvoud. Op die manier ziet men het vakmanschap van de illustrator/illustratrice in al zijn facetten en krijgt de illustratie wat ze verdient: niets minder dan onze gulste aandacht.

Herfstfestijn

Op de rivier

stapt de zon in een kano.

Bij zoveel licht

knijpt de dag zijn ogen dicht.

Achter de bomen

wacht de rosse avond.

Straks spreidt hij zijn armen,

knipt tussen twee droge vingers

het donker aan.

Het donker dat zonder dralen

en met één grote hap

alle kleuren opeet.

(Gil vander Heyden)

In beeld #5

Recensenten geven maximaal vijf sterren. Vijf sterren staan voor onvergetelijk – niet te missen – must read – subliem. Maar soms doen vijf sterren, slechts vijf sterren, oneer aan een boek. Het mag wat guller zijn. Zoals deze keer.
In mijn recensiewerk voor Pluizer* ben ik best wel kritisch, maar nu liet ik me graag bedwelmen door Het bamboemeisje, de sublieme intimistische beeldroman van Mattias De Leeuw en Edward van de Vendel. Deze Japanse vertelling is zo oogstrelend mooi en zo poëtisch in woord en beeld dat vijf sterren simpelweg onvoldoende blijken.

Alleen maar lof dus voor het ambacht van illustrator Mattias De Leeuw. In dit boek heeft hij zichzelf overtroffen. Penseel en aquarel, dat is alles wat hij nodig heeft om een hele wereld te evoceren. Zijn illustraties lijken in een snelle, schijnbaar achteloze beweging geschilderd – dat is zijn signatuur. Hij doet schilderen o zo makkelijk lijken – alsof wij dat ook even snel zouden kunnen.
Wat ik als leek echt knap vind is hoe hij hier met enkele losse lijnen en kleurvlakken intense gevoelens van tederheid kan weergeven. Kom, blader even mee en neem de tijd voor heerlijk kijken in stilte en traagte.

In beeld is een aparte rubriek omdat beelden verder reiken dan woorden, het onverwoordbare kunnen verwoorden. (omschrijving van illustratrice Sabien Clement)

* Pluizer is een online databank met recensies van kinder- en jeugdliteratuur door een twintigtal vrijwilligers.

Mijn volledige recensie van Het bamboemeisje vind je trouwens hier.

Nieuwe cyclus

Ik lees graag in cycli, zo stel ik vast.
Ik bedoel daarmee dat ik graag veel van eenzelfde auteur of literaire regio lees alvorens andere namen en oorden te verkennen. Natuurlijk neem ik tussendoor ook andere verhalen tot mij, maar ik zal niet zo snel van een Nederlandstalige auteur naar een Russisch werk snellen om via een overzeese schrijfster terug in de Lage Landen aan te meren. Ik hou ervan om voor lange tijd in dezelfde mentaal – literaire ruimte te verblijven, om een literaire ontdekkingsreis te ondernemen die gaandeweg behaaglijk en vertrouwd aanvoelt.

Woorden, zinnen en verhalen komen vanuit alle windstreken naar mij toe, en dat vind ik heerlijk! Toch was er een gebied, zeg maar een heel continent, dat ik niet durfde te betreden; lange tijd liep ik met schroom om auteurs met Afrikaanse roots heen. Ik heb niet echt een persoonlijke band met Afrika en meende daardoor geen aanknopingspunten te vinden. Onterecht natuurlijk. Hoog tijd dus om mijn vizier scherper te stellen.
Bij deze eerste schuchtere stappen was de Brits – Nigeriaanse schrijfster Bernardine Evaristo (1959) mijn innemende gids. Van haar las ik de roman Meisje, Vrouw, Anders (Girl, Woman, Other), dat eind 2019 met de Booker Prize* werd bekroond en ook bij het internationale lezerspubliek geestdriftig onthaald wordt, niet in het minst bij vrouwen van kleur. Ik sluit me graag bij hun lofzang aan en hoop vurig ook jou tot het lezen van deze roman te verleiden. Want, wow, wat een knap boek is dit!

Knappe cover, niet? De cover van de Nederlandstalige versie is trouwens ook de moeite.

Meisje, Vrouw, Anders biedt twaalf portretten van twaalf mensen, overwegend (Britse) vrouwen van kleur, wiens levens in mindere of meerdere mate met elkaar verweven zijn. Het zijn telkens korte, indringende verhalen over hun dromen, overtuigingen en geheimen, over hun ontplooiing en pijn, over hun blutsen en builen. Kortom, over hoe een mensenleven zich kan ontvouwen. Evaristo schetst een heterogeen beeld van een gemeenschap in diaspora die wij al te vaak veralgemenend als de Nigeriaanse of godbetert de Afrikaanse gemeenschap definiëren en grotendeels vanuit onze eigen Westerse blik benaderen.
Hun levens raken actuele vraagstukken als feminisme, sekse en gender en inclusie en representatie van minderheden. Dat zijn thema’s die Evaristo na aan het hart liggen, zonder te moraliseren of dramatiseren. Meisje, Vrouw, Anders is zeker geen pure ideeënroman of psychologische roman; het is vooreerst een mozaïek van twaalf individuen die zijn zoals ze zijn. Haar boek wordt omschreven als een polyfonie van zwarte stemmen, en zo klinkt het ook: levendig, energiek en aanstekelijk.

Evaristo’s observaties zijn scherp, eerlijk en onverbloemd maar ook gracieus, schalks en empathisch. Ze jongleert eveneens met de gangbare conventies inzake spelling en interpunctie: bij haar geen hoofdletters of punten in een zin; elke zin start op een nieuwe regel. Mijns inziens weerspiegelt deze vrije literaire vorm heel knap de meanderende stroom van gedachten, gevoelens en ervaringen van de twaalf geportretteerden.

Twaalf individuen, dat betekent in essentie ook twaalf zeer persoonlijke ervaringen over (schijnbaar) eenzelfde realiteit. Steeds wordt – soms pijnlijk – duidelijk hoe subjectief de individuele ervaring is, gefragmenteerd en gevormd door kwetsuren, verwachtingen of verlangens. En eens te meer blijkt dat we de Ander nooit helemaal kunnen kennen, alleen wat hij/zij/hen wenst/kan/durft te onthullen. En dat geldt uiteindelijk ook voor onze relatie met Evaristo’s personages. Als lezer wandelen we hun levens binnen, we leren hen kennen als waren ze echte mensen (want zo voelt het) maar wat weten we nu echt van hen? Alleen datgene wat de auteur aan het papier wil toevertrouwen.

* the Booker Prize: jaarlijkse prijs voor de beste Engelstalige literaire fictie. Evaristo was de eerste zwarte vrouw die deze eer te beurt viel. Ze moest de prijs wel delen met Margaret Atwood.

Zomerdollen

Daar is de zon (of niet)! Daar is de zomer! En dan mag een seizoenskaramelleke natuurlijk niet ontbreken.

Blootsvoets

In de zomer keert het huis

binnenstebuiten. Het zand

kruipt tussen onze lakens en

de lakens tussen de struiken.

We slapen in tenten die naar

winter ruiken en de stortbui

duurt, maar bang worden we

nooit. We hebben papa die

ons over zijn schouder gooit.

Ons bed wordt korter dan

de rest. De dagen worden

ouder. We lopen blootsvoets.

Zonder schoenen zien we

niet dat onze voeten groeien.


(Bart Moeyaert)

Voorbij de cijfers

Al te vaak zijn ze slechts onderdeel van statistieken of algemene analyses, al die naamloze slachtoffers van de geschiedenis.
Maar hebben niet alle doden, gewonden, vermisten, vluchtelingen en ontheemden een uniek persoonlijk verhaal dat er toe doet?
Wie kent deze vergeten mensen nog?
Wie noteert hun verhaal?
En ook: wie luistert?
Naar hen luisteren is een oprechte erkenning van hun mens-zijn.
Dat besefte ik eens te meer door het beklemmende autobiografische tweeluik van de Duitse schrijfster Natascha Wodin (1945).

In Ze kwam uit Marioepol en Ergens in dit duister ontrafelt Wodin het verborgen verleden van haar moeder en haar vader in een poging ook zichzelf beter te leren kennen. Als dwangarbeiders uit Oekraïne blijven ze na 1945 als ‘ontheemde buitenlanders’ in Duitsland, ontworteld en gedoemd tot een leven aan de onderkant van de samenleving. Ze vinden er hun plaats niet. Ze voelen geen grond onder hun voeten. Ze horen er nooit bij.
Ze probeert het fascinerende maar tragische leven van haar aristocratische moeder te reconstrueren, voor wie het leven te zwaar bleek en die zelfmoord pleegde toen Natascha tien was. Ze rekent af met haar stugge vader, met wie ze een moeizame, gecompliceerde relatie heeft. Door zijn hardnekkig stilzwijgen blijven veel vragen over zijn verleden onbeantwoord.

Het zijn twee aangrijpende portretten van twee mensen die voor hun dochter uiteindelijk grotendeels vreemden blijven.

Ik heb beide boeken af en toe opzij moeten leggen, om even op adem te komen. Voor ons, lezers, is haar verhaal gewoon fictie. Voor haar is het ‘gewoon’ haar léven. Ze kan niet ontsnappen.
Ze schrijft enigszins zakelijk, zonder pathos. Ze presenteert zich in geen geval als slachtoffer. Ze heeft het gered, zoals ze zelf aangeeft. Maar ze kan het niet mooier of zachter maken dan het is.

Dit is wat oorlog kan aanrichten.

Achter elk cijfer klopt een hart.

In het kader van Wereldvluchtelingendag 20 juni

Ze lezen niet meer (over de leesdip bij jongeren)

(5 min. read)


Over toen
Ik heb in mijn jeugd geen enkel boek van Roald Dahl gelezen. Meer zelfs, ik had in die tijd nog nooit over hem gehóórd. De Grote Vriendelijke Reus, Mathilda, Daantje, Sjakie, Willie Wonka en al die andere iconische personages van Roald Dahl waren vreemden voor mij. In jeugdliteratuurkringen wordt deze uiting van literaire barbaarsheid vaak op groot ongeloof onthaald. Meestal haal ik dan ietwat beschaamd mijn schouders op. Het is inderdaad opmerkelijk nu ik erop terugkijk. Klaarblijkelijk heb ik zijn oeuvre in onze kleine bibliotheek over het hoofd gezien – ik veronderstel dat zijn boeken er toch te vinden waren. Het is vooral opvallend dat zelfs op de lagere school niemand deze gretige lezer naar Dahls fantastische verhalen heeft geleid.
Tips en aanmoedigingen heb ik ook echt gemist toen ik als dertienjarige het beperkte aanbod in de jeugdafdeling was ontgroeid en geen flauw idee had van wat ik nu kon lezen. Ik doolde doelloos rond in de bibliotheek, koos titels die niet bij me pasten, was te bedeesd om advies te vragen en haakte al gauw gedesillusioneerd af. De gepassioneerde lezer was niet meer. Mijn leesdip heeft flink wat jaren geduurd want gaandeweg kreeg ik andere interesses waarbij lezen niet belangrijk was.

Van ontnuchtering …
De leeftijd rond 12 – 13 jaar is nog steeds een cruciale lees-leeftijd. Rond die leeftijd begint de belangstelling voor lezen significant af te nemen. De Vlaamse cijfers inzake leesplezier zijn ontluisterend. Volgens vergelijkend internationaal onderzoek* leest een derde van de Vlaamse tienjarigen voor het plezier – in 2006 was dat nog bijna de helft. Bijna een derde heeft dan weer een negatieve houding t.o.v. lezen. Vlaanderen bengelt op dit vlak samen met Nederland en Zweden helemaal onderaan in de groep van 16 West-Europese landen. In diezelfde groep scoren Portugal, Spanje en Ierland het hoogst inzake leesplezier.
Van de Vlaamse vijftienjarigen beschouwt nog slechts 17% lezen als een hobby en zowat de helft vindt lezen puur tijdverlies – dit cijfer is het hoogste van alle 79 deelnemers. Ook tal van andere Europese landen scoren onder het internationale gemiddelde. Het leesplezier blijkt dan weer het sterkst in China, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten, Colombia en Mexico en wat Europa betreft in Moldavië, Bulgarije en Polen.
Deze onderzoeken zijn internationale referenties, al wil ik ook enkele kanttekeningen maken. Wat wordt hier bijvoorbeeld onder de noemer ‘lezen’ verstaan? Gaat het enkel over het lezen van boeken of worden strips, tijdschriften of kranten (al dan niet digitaal) ook meegerekend? En wat en hoe was de vraagstelling? Bovendien komt het leesplezier enkel zijdelings aan bod; de focus is namelijk het meten en vergelijken van de leesvaardigheid en het begrijpend lezen. En er is evenmin enige toelichting over de mogelijke factoren bij het bescheiden leesplezier of de grote onderlinge verschillen. Het zijn in feite statistieken zonder veel analyse of duiding. Een helder beeld van de drempels, stimuli en opportuniteiten m.b.t. de leescultuur van kinderen en jongeren lijkt me nochtans primordiaal om een concreet en daadkrachtig leesbeleid te formuleren. Verrassend genoeg is er op dit vlak weinig onderzoek.

naar alarm
Voor beide leeftijdsgroepen is er dit jaar een nieuw ijkpunt. Ik ben nu al benieuwd naar de Vlaamse resultaten, in het bijzonder naar de houding van de tienjarigen. Toen in 2016 bleek dat ook het niveau van de leesvaardigheid (begrijpend lezen) in het Vlaamse basisonderwijs een flinke deuk kreeg – in West-Europa deden enkel Wallonië en Frankrijk het slechter – gingen op het departement Onderwijs de alarmbellen af. Er was nu – naast de verminderde aandacht voor begrijpend lezen an sich – ook een onweerlegbaar verband tussen de achteruitgang in leesvaardigheid en het lage leesplezier. Het is immers geen hogere wiskunde: wie meer voor het plezier leest wordt een steeds vaardiger lezer, wat op zich dan ook weer het leesplezier aanscherpt. Leidraden en (proef)projecten werden opgesteld om het leesonderwijs te professionaliseren, van de school een inspirerende leesomgeving te maken en bovenal de intrinsieke leesmotivatie – de innerlijke drijfveren om te lezen waarvan het leesplezier er één is – te stimuleren. Zou dit nieuwe leesbeleid al zijn vruchten afwerpen? We zullen zien. (Het leesbeleid zal ik wel eens in een andere blogpost uitklaren.)

Over Netflix en … onszelf
Voor de vijftienjarigen is er momenteel geen overkoepelend actieplan. Nochtans daalt ook in deze groep de gemiddelde Vlaamse score in leesvaardigheid significant. Dankzij een recent Nederlands onderzoek (midden 2020) bij een representatieve groep van jongeren tussen 12 en 20 jaar hebben we wel aanknopingspunten over hun leescultuur. Ik neem aan dat hun vaststellingen in grote lijnen ook voor Vlaamse jongeren gelden. We kunnen er nogmaals niet omheen: flink wat jongeren houden niet lezen, een kleine groep heeft er zelfs een hekel aan. Wat zijn hiervan de oorzaken? Wat denk jij? Denk je aan de alomtegenwoordigheid van Netflix, sociale media en gameconsoles als voornaamste oorzaak?

Het is inderdaad verleidelijk om te poneren dat deze nieuwe vormen van communicatie en entertainment verantwoordelijk zijn voor de verminderde leesinteresse bij jongeren, maar de realiteit bevat zoals zo vaak veel meer nuances. Digitale media blijkt niét de doorslaggevende verklaring voor de teruggang in leesplezier en leesvaardigheid bij Vlaamse jongeren (waarmee ik natuurlijk niet de impact wil minimaliseren). Globaal gezien hebben immers heel wat jongeren uit de deelnemende landen toegang tot series, games, smartphone of Instagram, dus hoe verklaren we de grote verscheidenheid die de internationale onderzoeken duidelijk onthullen? Heeft het dan ook met het onderwijssysteem (bijvoorbeeld verplichte lectuur versus vrije boekenkeuze?), didactiek, cultureel bewustzijn of mentaliteit te maken? Dat weten we niet zoals ik al aangaf.
Blijft natuurlijk wel dat veel jongeren, ook diegenen met een hoge leesmotivatie, in hun beperkte vrije tijd sociale media, muziek, TV en games (of andere waardevolle interesses zoals sport, jeugdbeweging of vrienden) boven boeken lezen verkiezen. Het vraagt veel minder inspanning en concentratie en wordt als cooler, socialer en dynamischer ervaren. Ik heb het hier thuis vanop de eerste rij mogen aanschouwen: door het intense schoolleven verdwenen bij de veellezende oudste (nu 14 jaar) de boeken al gauw op de achtergrond. Lezen werd iets voor in de vakanties en zich ontspannen doet ze vooral via Netflix, muziek (Michael Jackson!) en andere hobby’s. Maar ik maak me geen zorgen; ze heeft nog altijd haar boekenogen wanneer ze tijd maakt voor een goed verhaal. Het leesvlammetje is er nog. (Oef!)

En laten we ook eens eerlijk naar onszelf kijken. Ben jij altijd in de stemming om aandachtig te lezen of verkies je na een lange dag TV of Netflix (waar trouwens uitstekende series en films te zien zijn) of wat in het rond surfen, scrollen, swipen en skimmen? En we lezen over het algemeen met z’n allen veel minder; dus een beetje mededogen voor jongeren is wel op zijn plaats.

Over nu
Moeten we dan niets doen om lezen bij jongeren te stimuleren? Natuurlijk wel. (En ook even bekijken of te veel stimuleren niet averechts werkt.) Die ene magische formule bestaat helaas niet, het is en blijft een grote uitdaging om deze moeilijke doelgroep te bereiken. Ook hier geeft het Nederlands onderzoek handvaten voor een nieuw leesbeleid. De details zijn voor een andere blogpost, maar in elk geval moeten alle actoren in de boekenbranche zich nog meer richten op de leefwereld van jongeren. En wat we er ook mogen van vinden, hun leefwereld is nu eenmaal door en door digitaal. En ze weten vaak niet wat of hoe. Tot mijn grote verbazing blijken veel jongeren nog steeds moeite te hebben om een geschikt boek te vinden. Nochtans zijn er nu veel (te veel?) kanalen om tips te vinden, zoals leesacties en evenementen (bijvoorbeeld de Leesjury, voorheen Kinder-en Jeugdjury), aanbevelingen en recensies op websites en Instagram of een aparte afdeling voor jonge adolescenten in de bibliotheek. Op het vlak van communicatie, ondersteuning en bereik is duidelijk nog veel werk aan de winkel.

O ja, voor wie zich zorgen maakte: tussen Roald Dahl en mij is het helemaal goed gekomen. Hij mag dan ook niet in onze literaire canon ontbreken. Uit zijn omvangrijke oeuvre kiezen we Sjakie en de chocoladefabriek (Charlie and the Chocolate Factory), dat heerlijke verhaal over een arm jongetje dat de fantastische snoepfabriek van de excentrieke Willie Wonka mag bezoeken en uiteindelijk zijn opvolger wordt. Denk je misschien bwa een boek, liever niet … Geen nood! De verfilming staat … op Netflix.

Charlie and the Chocolate Factory (film).png


*Onderzoek naar leesvaardigheid en leesmotivatie: vijfjaarlijks PIRLS-onderzoek met 54 landen en regio’s voor de tienjarigen (laatste onderzoek: 2016) en driejaarlijks PISA-onderzoek voor de vijftienjarigen met 79 landen en regio’s (laatste onderzoek: 2018).

Blauw goud

Ik was altijd een langslaper. Het gouden randje van de ochtendstond deed me weinig. Ik draaide me liever nog eens om, en nog eens en ach ja waarom niet, nog eens. Maar kijk, een mens kan veranderen. Ondertussen vier ik het vroege ontwaken. Het huis is stil, ik ben alleen en ik kijk hoe de nacht zachtjes in de dag overgaat. Heel soms ben ik een bevoorrechte getuige van het blauwe uur, een kortstondig maar adembenemend natuurfenomeen net voor zonsopgang waarbij de lucht en de omgeving donkerblauw kleuren. Het voelt alsof de natuur mij woorden van een gracieus gedicht influistert.

Het blauwe uur is een uitnodiging om even helemaal niets te doen, niets te denken, niets te moeten. Het brengt een gevoel van vrijheid en geluk, datzelfde innige gevoel als op de eerste lentedag wanneer we de ramen opengooien om hoera! de lange winter uit te wuiven.

Van A naar B

Als kind had ik een Tante Nonneke. In feite was zij een groottante van mij en een tante van mijn vader. Natuurlijk had tante ook een eigen geboortenaam en een kloosternaam, maar bij mijn weten noemde iedereen in de familie haar Tant’Nunne. Naar verluidt was haar intrede in het klooster een oprechte roeping en hoopte ze vurig dat ze de hemel zou verdienen. Ik hoop dat het haar gelukt is. Van mij krijgt ze in elk geval een extra aflaat omdat ze mij naar de letter B van mijn persoonlijke literaire canon brengt.

Voor mijn eerste communie gaf Tant’Nunne mij een vrolijk en ietwat naïef geïllustreerde kinderbijbel cadeau. Beteuterd nam ik hem aan; dat was nu niet bepaald een leuk communiecadeau, vond ik. Mijn aanvankelijke teleurstelling bleek ongegrond want deze kinderbijbel was een schatkist vol fraaie verhalen waar ik niet genoeg kon van krijgen. Bjbelse verhalen hebben me altijd gefascineerd. Ik zie mij nog zo op de schoolbank in de lagere school zitten, één en al oor, en oprecht meelevend met de voor- en tegenspoed van Gods mensen. Ik voelde afschuw toen Jozef en Maria halsoverkop de kindermoorden van Bethlehem moesten ontvluchten, verwondering dat Jona drie dagen en drie nachten in de donkere buik van de walvis (of was het een reuzenvis?) kon overleven, en intens verdriet bij Judas’ lafhartige verraad. En ik kon de Galileeërs maar niet van de Galliërs onderscheiden.

Ja hoor, mijn kinderbijbel heb ik nog altijd.

De Bijbel is al sinds mensenheugenis een belangrijke inspiratiebron voor schilders, beeldhouwers, schrijvers en componisten. Zonder kennis van bijbelse referenties zouden we blind, doof en stom zijn bij ons luisterrijke cultureel erfgoed. Net daarom gaven wij deze verhalen bewust aan onze kinderen mee. Voor hen waren het in eerste instantie mooie en vaak spannende verhalen. Ik heb eigenlijk geen idee hoeveel hen werkelijk is bijgebleven.

De Bijbel is nog steeds het meest gelezen boek ter wereld. Ook in de kinder- en jeugdliteratuur verschijnen nog regelmatig nieuwe bewerkingen, vooral van populaire onderwerpen als het kerstverhaal en de ark van Noach. Er zijn ook nog kinderbijbels voorhanden. In de reeks Bijbelverhalen voor kleuters van Kathleen Amant worden bekende verhalen op een heel eenvoudige wijze en met duidelijke en kleurrijke illustraties gebracht. Voor oudere kinderen is er Bijbel: verhalen uit het Oude Testament met stemmige illustraties van Sassafras De Bruyn, waarin de bijbelverhalen op klassieke wijze worden verteld.

Hoe anders is de benadering van Philippe Lechermeier en Rébecca Dautremer in Een Bijbel, een vuistdikke, eigentijdse bewerking bestemd voor jongeren en volwassenen. Met een verbluffende literaire en artistieke veelzijdigheid creëren zij een uniek bijbels universum. Hun invalshoek kan zonder meer als bijzonder eigenzinnig beschouwd worden. In deze hervertelling speelt Lechermeier ingenieus met taal en inhoud door een waaier aan literaire vormen te gebruiken. Zo wordt het verhaal van Kaïn en Abel op rijm gezet en duiken Jozef en zijn broers op in een toneelstuk in drie bedrijven, regie-aanwijzingen inbegrepen. De uittocht uit Egypte en Mozes’ veertigjarige tocht door de woestijn worden dan weer door een kleine vlieg verteld, jawel. En naast gewone verhalen (nou ja, wat is in dit geval “gewoon”) is er onder meer ook een liefdeslied, een verhaal in dialoogvorm, een sappig marktverhaal, een sprookje en een soort Roelantslied. Literaire variatie troef dus, zonder ook maar een moment het wezen van deze verhalen te verloochenen. Lechermeiers hervertelling is doorleefd, gevoelig en diepmenselijk. Hoe mooi is het niet om de innige liefde tussen Jezus en Maria Magdalena te zien ontluiken of te lezen dat de overspelige vrouw meelevend “de vrouw die van een andere man houdt” wordt genoemd. En opmerkelijk, de engel Gabriël, boodschapper Gods, is hier een vogelman/mensvogel, een referentie naar de ultieme droom van de mens om te kunnen vliegen. De aanpak van Lechermeier is zo verfrissend en prikkelend dat ik enkel in superlatieven kan spreken. En dan heb ik het nog niet over de illustraties van Rébecca Dautremer gehad … (Dautremer ontmoetten we trouwens al eerder, in het gezelschap van de bekoorlijke Joodse weduwe Judith.)

Maar eerst dit: sta even stil bij het beeld dat jij over Adam en Eva, Mozes, Maria of Jezus hebt. Denk je daarbij aan een bepaald beeldhouwwerk, een schilderij of een prent van een Europese kunstenaar? Vast wel. En heb je hen ooit op een heel andere manier voorgesteld? Wellicht niet. Want deze krachtige beeltenissen zijn vaak al eeuwenlang in ons bewustzijn verankerd en lijken haast onwrikbaar. Ja, natuurlijk schilderde Michelangelo een gespierde en baardloze Christus in de Sixtijnse kapel, maar had hij veel navolging? Neen.

Wel, illustratrice Rébecca Dautremer gaat de uitdaging met deze diepverankerde conventies aan. Ze tovert en varieert met kleur, techniek, compositie en perspectief en komt tot een fascinerende, nieuwe bijbel-beeldtaal. Zo hebben Adam en Eva onmiskenbaar een Afrikaanse oorsprong – en dat is helemaal niet zo gek want liggen de wortels van onze verre voorouders niet in het huidige Ethiopië? Jezus zelf lijkt in niets op de man die traditioneel (in Europa) met een vlassig baardje, halflang sluik haar en Kaukasische gelaatstrekken wordt voorgesteld. De Exodus is dan weer een aangrijpende, koortsachtige vlucht van doodsbange mensen met kinderwagens, jengelende kinderen en opwaaiend stof. En schrikwekkende tronies stappen dreigend uit hun omlijsting om Jezus gevangen te nemen en over te leveren. Dat zijn maar enkele voorbeelden. Elk beeld is een subliem verstilde moment dat een heel verhaal vertelt. Dautremers beelden zijn groots en paginavullend of net klein en subtiel; ze zijn mysterieus, geraffineerd, ingetogen, vertederend, subtiel, sensueel, beklemmend, grimmig, indringend en overdonderend. En ze zijn nog veel meer dan dat. Hoe dan ook reiken woorden niet ver genoeg om deze esthetische parels te omschrijven. Dat is niet erg. Dit is vooral een boek om te ervaren.

Ik zou zeggen, oordeel vooral zelf tijdens jouw prinsheerlijk kuieren in deze kunstgalerij: