Herfst!

Nazomer of herfst?

We hebben land op zee gewonnen. We hebben de loop van rivieren verlegd. We hebben bergtoppen bedwongen. Toch blijven we nietige mensen in het grotere geheel. Tegen de kracht van de natuur vermogen we soms helemaal niets. Dit streepje poëzie maakt het nog eens duidelijk. Misschien niet het beste herfstgedicht maar wel een mooi beeld:

Straatveger

Een ongelijke strijd: één

man gewapend met één bezem

tegen miljoenen bladeren.

Op de hoek wacht de roestige kar,

in het portiek loert de wind.

O, een straatveger in de herfst!

De bomen lachen zich krom.

(Bas Rompa)

In de biechtstoel

Goed. Ik beken. Lange tijd heb ik nauwelijks iets van het kruim van Vlaamse schrijvers uit de late 19de en de (ruime) eerste helft van de 20ste eeuw gelezen. Louis Paul Boon, Cyriel Buysse, Willem Elsschot, Stijn Streuvels, Gerald Walschap,… Ik liep met een wijde boog om deze auteurs heen. Meer zelfs, ik keek neerbuigend op hen neer want hun beider voeten stonden stevig in de Vlaamsche klei en dat kon onmogelijk goed werk opleveren. Een hovaardige en bespottelijke attitude, ik weet het. En dat ik tijdens mijn jeugd iets te vaak op 11 juli de film Het gezin van Paemel, het toneelstuk van Buysse over het Vlaamse boerenleven in de 19de eeuw, heb gezien was ook geen aanmoediging. Nee nee, tussen deze Vlaamse schrijvers en mij zou het nooit iets worden.

Ik was dan ook behoorlijk verrast toen ik enkele maanden geleden voor mijn verjaardag In betere kringen van Cyriel Buysse (1859-1932) cadeau kreeg. Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat ik ook lichte ontgoocheling voelde want ik had een heel ander boek verwacht. Toch begon ik uit hoffelijkheid in Buysses bundel van satirische kortverhalen te bladeren… En ja… algauw moest ik erkennen dat Buysse mja misschien toch niet zo waardeloos was. In betere kringen las ik in één beweging uit en daarna haalde ik hongerig zijn ‘t Bolleken uit onze boekenkast. Cyriel Buysse blijkt een meeslepende verteller die mij in meerdere opzichten behoorlijk verraste. (Ik las nog maar twee boeken uit zijn omvangrijke oeuvre dus mijn beoordeling vraagt zekere verdere verfijning.)

Zijn stijl en taal, gelardeerd met het sappige Oost- Vlaamse dialect van de gewone mensen, voelen vlot, ongekunsteld en toch verfijnd aan. De signatuur van een eigentijdse auteur zou men denken; ware het niet dat zijn werk vaak ruim een eeuw oud is en hij over een oude verdwenen wereld schrijft. Zijn verhalen lezen als sfeervolle historische documenten over de wereld van gisteren. Over de sociale verhoudingen (en taboes) bijvoorbeeld die tot in de eeuwigheid vast leken te liggen en algemeen aanvaard werden. Of over de kiesstrijd op het platteland waarbij potentiële kiezers met eten en drinken werden verleid. Twijfelaars die hun keuze geheim wisten te houden namen gretig bonnetjes van beide kanten aan en hadden dus recht op twee maaltijden en tien glazen bier.* De drank, ja die vloeide steeds rijkelijk. En wanneer na het glas of de borrel te veel de maskers vallen, worden de tronies lelijk en gemeen door achterklap en geroddel. Want Buysse weet de kleinmenselijke aard met al zijn gebreken, zwakheden en onhebbelijkheden voortreffelijk en vol gevoel te portretteren – vaak met een mild ironische ondertoon (maar zeker geen spot). Hij getuigt van groot psychologisch inzicht, zoals in de beschrijving van de minder gegoede oude meneer met rood gezicht en zijn corpulente, aldoor kortademige vrouw die in het familiepension afkeurend en tegelijkertijd afgunstig reageren op een knap jong meisje dat met een jongeman uit het nabijgelegen luxehotel aanpapt.*

Op stap met Cyriel Buysse in een verdwenen wereld.

Wat mij het meeste trof was de eenzaamheid die de hoofdpersonages met zich meedragen. Hun onvermogen tot oprechte en innige relaties is opvallend. Liefdesrelaties tussen verschillende sociale klassen kunnen en mogen niet beleefd worden – Buysse heeft dit zelf ook ervaren. Want dat “azen ne rijke jongen en mee zulk ‘n educoassie” uit liefde met de beeldschone dochter van de herbergier huwt, “mee azeu iene” – nee, dat konden en wilden de mensen niet geloven, dat was ongehoord en ongezien. Het koppel wordt dan ook geminacht.* Het salonleven in de betere kringen oogt ijdel en afstompend. En de drank, die maakt veel kapot; dromen, carrières, relaties, levens.

Dus ja, ik was onder de indruk van Cyriel Buysse. Worden onze Vlaamse klassieke schrijvers nog gelezen? Ik mag hopen van wel. Zeg dat deze bekeerlinge het gezegd heeft.

* uit ‘t Bolleken, 1906.

*Uit: Pension de famille, 1929

* uit ‘t Bolleken, 1906

Zinnen van zijde #2

Over In het zwart van de spiegel van de Nederlander Peter Delpeut zijn de meningen opmerkelijk verdeeld. Vindt de ene recensent het “toverwerk” dan klaagt de andere over het boek als een “afmattende ervaring”. Zelf bevind ik me in het midden van deze twee uitersten. Het toont nogmaals hoe persoonlijk en subjectief een recensie en een leeservaring tout court zijn.

Deze ambitieuze roman brengt een liefdesgeschiedenis, een reisverhaal, een essay over kunst én een kunsthistorisch onderzoek bijeen. (Ik zal hier niet al deze aspecten belichten.) Centraal in deze meerstemmige roman staat de 17de – eeuwse landschapsschilder Claude Lorrain (geboren Gellée) – maar ook gewoon bekend bij zijn voornaam Claude. Ik beken: ik had nog nooit over Claude Lorrain gehoord. Had ik tijdens de cursus kunstgeschiedenis even niet opgelet of was hij het vermelden niet waard? Best vreemd, want tijdens zijn leven in Rome groeide hij uit tot de befaamde en gegeerde meester van het geïdealiseerde landschap. Een eeuw later werd hij het grote voorbeeld van Engelse landschapsschilders en landschapsarchitecten en was hij immens populair bij aristocratische kunstverzamelaars. Als geen andere kon Claude in zijn schilderijen en tekeningen met licht en schaduw toveren. Warm licht bij valavond, glorieus ochtendgloren, intens licht dat op een wateroppervlak weerkaatst… Ik voel dadelijk dat mijn vocabularium te beperkt is om Lorrains licht in woorden te vatten. Liever leid ik jullie naar deze galerij waar jullie de meester zelf kunnen ontmoeten.

Zijn naam en faam zijn ook innig verbonden met de Claudespiegel of miroir noir/ zwarte spiegel – een voorwerp dat ik ook niet kende. De Claudespiegel is een kleine draagbare, enigszins gebolde spiegel met een zwarte ondergrond, ontstaan in de 18de eeuw in Engeland. Het lijkt wel een toverspiegel. Want met de rug naar het landschap zie je het landschap zoals je het nooit met het blote oog zou kunnen zien. In de spiegel wordt het landschap immers gecomprimeerd tot een harmonieus geordend geheel, tot een imaginair landschap in de beste traditie van Claude Lorrain. Anders gezegd, de natuur wordt een esthetische ervaring als was het een schilderij van Claude zelf.

Zou de Claudespiegel nog ergens te vinden zijn? Ik zou er alvast eentje willen proberen.

Fascinerend, niet? Wel, voor de hoofdpersoon in de roman groeit Claude Lorrain uit tot een ware obsessie. Reizend door onder meer Italië, Duitsland en Engeland gaat hij op zoek naar sporen van Lorrain. Hij troont ons mee naar musea, archieven, kunstverzamelingen, landhuizen en parken. We ontmoeten kunstenaars als Nicolas Poussin, William Turner, John Constable en Anselm Kiefer.

Wat bezielt hem om zijn onderzoek zo minitieus en zo gedreven te doen, als was hij een manische bezetene? Hij zeg hierover: “Het gaat me nooit om wat een kunstenaar kan, maar om wat hij gezien heeft. Zijn ervaring tillen naar mijn zien, daar draait het om in kunst.” De hoofdpersoon wil zo dicht mogelijk bij de schilder komen. Zien wat hij gezien heeft. Ervaren wat hij ervaren heeft. Dus trekt hij bijvoorbeeld naar Tivoli, in de Campagna rond Rome, om het uitzichtpunt van Claude op dit schilderij terug te vinden en om vanop die exacte plaats het bijzondere avondlicht zelf te ervaren.

A View of the Campagna from Tivoli
A view of the Campagne from Tivoli : te bewonderen in de Picture Gallery in Buckingham Palace

Zijn drijfveer daagt me uit want ik had kunstwerken en schilderijen amper op deze manier benaderd. Het is voor mij een uitstekende aanmoediging om ver voorbij thema en techniek te leren kijken, om meer te ervaren in plaats van louter te zien. Ik heb echt genoten van zijn pelgrimage. Net zoals de hoofdpersoon had ik de iPAD steeds bij de hand om ijverig namen, plaatsen en kunstwerken op te zoeken. Deze roman is werkelijk een goudklompje voor wie houdt van traag lezen over een fascinerend hoofdstuk kunstgeschiedenis.

De passie voor Claude is voor mij tegelijkertijd de achilleshiel van deze roman. Het blijkt niet vanzelfsprekend om de vier verhaallijnen telkens opnieuw zorgvuldig in elkaar te vlechten. Evenwicht en focus in de roman raken soms wat zoek, onder meer door enkele wijdlopige biografische uiteenzettingen. (Het zijn in elk geval mensen van vlees en bloed, geen bordkartonnen figuren.) De lezer kan al eens afdwalen en het overzicht verliezen. Mij is het enkele malen overkomen, anderen dan weer niet. En zij zullen vast ook Delpeuts breedvoerigheid betwisten. Ik zei het al eerder: ook een leeservaring is en blijft zeer persoonlijk.

Hoe het ook zij, laat mijn kritische kanttekening jullie zeker niet ontmoedigen om deze vuistdikke roman te lezen. Want In het zwart van de spiegel is een rijkgevulde schatkamer van originele overpeinzingen en beschouwingen (die vaak melancholisch van aard zijn) over kunst en natuur, over het leven en de liefde, over afscheid en vergankelijkheid. Over alles dat ons raakt en roert dus. Delpeut schenkt ons ook sublieme beschrijvingen van lucht en wolken, van licht en schaduw, van de natuur om ons heen. Het is een appel om de ogen te openen, meer zelfs, om àlle zintuigen aan te scherpen. In ieder geval kan ik niet meer naar het samenspel van natuur en licht kijken zonder aan Claude Lorrain te denken.

Het ganse boek is eveneens een uitnodiging om naar hartenlust woorden, zinnen of zelfs hele passages die jou aanraken, doen stilstaan of nadenken te onderstrepen of in de marge enkele uitroeptekens te zetten. Of zoals ik pleeg te doen: vlijtig overschrijven in een Schriftje voor Schone Woorden. (En stiekem hopen dat ik ook ooit in staat ben om zoveel fraais te bedenken.) Welke woorden precies doen vertragen, zal voor iedereen anders zijn. Dit is alvast mijn uitverkorene uit deze roman: “Tekeningen moet je in je handen houden om te begrijpen waar hun kracht zit. Ooit lagen ze in de schoot van de tekenaar, als een schetsboek, of als losse bladen in een leren band. Hoe dichter je bij die houding komt, hoe meer de tekening je haar leven geeft.”

Om stil van te worden.

Wanderlust

De zomervakantie staat voor de deur en de grenzen zijn opnieuw open. We kunnen dan toch onze koffers pakken en dat is voor velen een grote opluchting. Sommigen beschouwen reizen als een grondrecht. Maar hoelang al kunnen wij met z’n allen eropuit trekken, puur ter vermaak en ontspanning? Vijftig, zestig jaar misschien en het is vooral een vrijheid voor mensen uit het Westen. Reizen is een groot voorrecht, laten we dat niet vergeten.

Thuis, vlakbij of wat verder… overal zijn mooie werelden – als we dat kunnen zien tenminste… Fijne zomer!

Werelden in mijn hoofd

Ik reis graag naar vreemde landen
En onthoud dan hoe het was
Want al die landschappen en beelden
komen dagelijks nog van pas.

Zo heb ik in mijn hoofd
Een woeste grillige woestijn
Waar ik naar toe kan gaan
Als ik alleen wil zijn.

Ik heb een berg
Vanwaar ik ver kan kijken
Naar ’t verleden of naar dingen
Die ik ooit nog wil bereiken.

Ik heb een grot
Met lange donkere gangen
Waar ik naar toe ga met een wens
Of een geheim verlangen.

Ik heb een wilde zee,
Daar duik ik soms in onder
Dan laat ik me verrassen
Dan zwem ik in een wonder.

Ik heb zoveel in mijn hoofd
Er komen dagelijks werelden bij
Waar niemand ooit geweest is:
Die zijn alleen van mij.

(Rian Visser)

Tijdlens

Ik was twaalf jaar toen ik een plechtige gelofte aflegde. Eén van mijn dochters zou ik Hasse noemen, naar Hasse Simonsdochter, het hoofdpersonage uit het gelijknamige boek van de Nederlandse Thea Beckman (1923-2004). In die dagen lag Hasse Simonsdochter me bijzonder na aan het hart. Ik bewonderde haar want ze stond voor alles dat ik als bange wezel niet kon of durfde. Hasse met haar fonkelende donkere ogen en ravenzwarte haren. Hasse, het onverschrokken en vrijgevochten meisje dat zo hield van dwalen door de polders en het rietland. Hasse die aan de zijde van een vaandel huurlingen die God noch gebod kende een spannend en ongebonden leven leidde. In één woord, Hasse Simonsdochter was gewéldig!

Jaren later heet niet één van mijn dochters Hasse. Al die tijd had deze naam voor mij zelfs geen enkele betekenis meer. Mijn belofte bleef diep verborgen en onaangeroerd in één van de kamers van mijn geheugen liggen. Pas toen de oudste dit boek uit haar klasbibliotheek meebracht kwam ze me langzaam voor de geest, als een zachte weerklank uit Lang Geleden. (Zo gaat dat dus met de woorden van eer uit onze jeugdjaren. Op dat moment lijken ze in steen gebeiteld, niet te verbrijzelen maar uiteindelijk blijken ze uit losse kiezelsteentjes te bestaan.) Telkens ik nu de naam Hasse hoor of lees, vraag ik me af of deze meisjes naar Beckmans onvergetelijke personage werden genoemd en of ze hun naam met fierheid dragen. Ik mag hopen van wel!

De iconische cover uit de jaren ’80… een onvergetelijk boek! (Al bleek dit in mijn geval relatief.)

Niet Hasse Simonsdochter maar Kruistocht in spijkerbroek is Beckmans meest gerenommeerde roman. Dit verhaal uit 1972 over de jongen Dolf die naar een Kinderkruistocht in het jaar 1212 wordt geflitst, is tot ver voorbij de landsgrenzen befaamd. Bijna 50 jaar na de eerste uitgave is het boek nog steeds in herdruk en het werd voor film, theater en musical bewerkt. Thea Beckman is geheel terecht la grande dame van de historische jeugdroman. De jaarlijkse (Nederlandstalige) literaire prijs voor dit genre werd dan ook naar haar vernoemd. Tal van haar boeken groeiden uit tot ware klassiekers die decennia later nog steeds gelezen worden. Ik zie het wel vaker: verhalen die ons als kind bijbleven geven we nu maar wat graag aan onze eigen kinderen door. Deze boeken worden gedeelde herinneringen waarbij we verleden en heden zachtjes aan elkaar rijgen. Bij sommige volwassenen volgt hierna de grote ontnuchtering: het verhaal blijkt dan toch niet zo razend spannend als in hun herinnering – het leest niet meer zo vlot – echt bijzonder is het niet. Zelf ervaar ik deze ontgoochelingen niet. Ik voel nog steeds diezelfde intense opwinding en sensatie als toen, alsof ik weer dat tienermeisje ben dat met blozende wangen en boekenogen bladzijde na bladzijde verorbert. De kritische, analytische (“volwassen”) blik kan ik gemakkelijk uitschakelen.

Uiteraard voelen taal en stijl enigszins verouderd aan. Taal is immers het verbale herscheppen van de wereld om ons heen en onze taal verandert omdat de wereld zelf voortdurend in verandering is. Ook voorkeuren en verwachtingen evolueren. Dat is bij volwassenliteratuur en film-of muziekbeleving niet anders. Toch hindert dit de meeste jongeren van nu amper. Want wat verteltalent en beleving betreft moeten de oudjes zeker niet onderdoen voor jongere generaties als Noëlla Elpers, Rob Ruggenberg (+ 2019), Jean-Claude van Rijckeghem, Simone van der Vlugt of Floortje Zwigtman.

Vooral Jean- Claude van Rijckeghem staat bij recensenten én jongeren hoog aangeschreven. (Deze gezamenlijke waardering is uitzonderlijker dan men zou vermoeden.) Hij schrijft levendig en zintuigelijk met rake observaties; we kunnen het verleden als het ware zien, horen, ruiken, voelen en proeven. Ook wij dragen van Rijckeghem een warm hart toe want in enkele romans spelen moedige meisje de hoofdrol. In een wereld die door mannen wordt gedomineerd komen zij voor zichzelf op en nemen hun lot resoluut in handen. En aan wie doen Margaretha van Male (uit Jonkvrouw), Gitte Niemandsdochter (uit Galgenmeid) en Stans (uit Ijzerkop) denken? Juist…aan Hasse Simonsdochter natuurlijk! Al kunnen zij in mijn ogen niet – nooit! aan Hasse tippen. Maar kijk, de cirkel is rond, altijd.

De weg van de pelgrim

Over de historische authenticiteit en het artistieke niveau van de driedelige TV-reeks The Medici valt veel te zeggen. Normaal gezien ben ik best wel kritisch ingesteld maar deze keer maalde ik er echt niet om. Meer zelfs, ik kon er niet genoeg van krijgen. Want ja, dit was het verhaal van de illustere familie de’ Medici, een naam die onlosmakelijk verbonden is met mijn grote liefde Firenze. Firenze… hoeveel duizelingwekkende schoonheid kan één stad eigenlijk herbergen? Deze stad roept mij, wenkt mij, trekt aan mij zoals de verleidelijke gezangen van zoetgevooisde sirenes. Ik zou er steeds opnieuw heen willen.

In tijden van gesloten grenzen en opgelegde afzondering ben ik dan maar dagdromend onderweg. In gedachten flaneer ik door de straten en piazza’s van Firenze en volg er zichtbare en onzichtbare sporen van het verleden. De reisgids brengt me naar plaatsen en gebouwen met historische feiten en accurate beschrijvingen. De historische roman gidst me door de stad met beelden en verhalen over het hoe was of had kunnen zijn. Literatuur brengt me ver voorbij het zichtbare verleden, voorbij de feiten en cijfers. Deze keer maak ik zonder aarzelen de oversteek naar literatuur voor volwassenen. Zijn er dan geen jeugdboeken over Firenze? Toch wel*, maar niet één kan tippen aan het boek dat ik zo graag wil voorstellen.

In 1961 verscheen verscheen The agony and the ecstacy van Irving Stone, zonder meer een sublieme biografische roman over de Florentijnse gigant Michelangelo. In een sprankelende en meeslepende stijl (de beduimelde pagina’s zijn mijn getuigen) vertelt Stone over zijn leven en werk, zijn tomeloze energie, zijn triomfen en ontgoochelingen, zijn twijfels en ambities – en dat alles is intens verweven met de woelige ontwikkelingen in Firenze en Rome. Bovenal weet hij de essentie van de persoon Michelangelo uitstekend te vatten. Namelijk zijn grenzeloze passie voor beeldhouwkunst want marmer is “de meest levende substantie ter wereld, het is ritmisch, toegankelijk, warm, levendig, meegaand, veerkrachtig en vol kleur.” Naar verluidt keek Leonardo da Vinci met misprijzen neer op beeldhouwers; achtte hen niet hoger dan stoffige, onbehouwen steenkappers – tot grote woede van een diep gekrenkte Michelangelo. De vete tussen de twee kunstenaars wordt door Stone meesterlijk beschreven.

20200509_105012

Dit meesterwerk is helaas moellijk in de bibliotheek te vinden. Het is wel online te koop of..       – zoals ik deed- in de shop van Museo dell’ Opera del Duomo. @j.b.d

Wat is over deze strijd der titanen feit en wat is fictie? Ik weet het niet en dat geeft niet, se non è vero, è ben trovato… De magische kracht van literatuur is immers eindeloos want kijk… Al bladerend glip ik via een geheime doorgang naar het jaar 1501 en naar de werkplaats van de Duomo waar anonieme timmermannen, metselaars, steenhouwers, schilders en smeden met eeltige handen en gekromde ruggen aan het werk zijn. En ginds inspecteert Michelangelo liefdevol een marmerblok dat al 50 jaar lang stof ligt te vergaren. Als enige ziet hij de vele beperkingen van dit blok als een grote troef. In stilte observeer ik zijn denk- en creatieproces: hoe hij zijn beeld al lang in het innerlijke van het marmer heeft gezien. Hoe hij precies weet hoeveel marmer hij kan weglaten tot de David zich uit de materie bevrijdt. En wanneer drie jaar later het monumentale beeld (5,5 meter!) met nauwelijks 1 meter per uur van de Duomo tot aan Palazzo Vecchio wordt gebracht sta ik vol ontzag tussen het publiek te kijken. Dit standbeeld is ongezien! Dankzij The Agony and the ecstacy heb ik het ontstaan van dit meesterwerk van nabij mogen beleven. Niemand kan mij deze ervaring ontnemen.

David

Na turbulente tijden het symbool van het nieuwe Firenze

Mijn verbondenheid met Michelangelo was zo sterk dat ik bij zijn dood tranen in de ogen had. Ik voelde me verweesd, was enige tijd in mezelf gekeerd als had ik een dierbare vriend verloren. Echt waar. Dat literatuur het hart op zo’n unieke wijze kan aanraken is voor mij ontegenzeggelijk magie!

Sindsdien ben ik vastberaden om in dit leven zoveel mogelijk sporen – nee, gulzig als ik ben zeg ik: àlle sporen van Michelangelo te volgen en te kijken en te blijven kijken naar zoveel meesterschap. De eerste halte van mijn pelgrimage wordt zijn Madonna met kind in de Onze- Lieve- Vrouwekerk in Brugge. In wezen vlakbij maar momenteel zo veraf. Het is niet anders. Maar verbaast het jullie dat ik sta te popelen van ongeduld?

* Het lege ei: over de koepel van Brunelleschi (Hedwig Van de Velde)/ Renaissance: over de gewelddadige machtsstrijd tussen Florentijnse families (reeks: Assasin’s Creed, Oliver Bowden)/ Paolo, leerling van Leonardo da Vinci (Hans Ulrich)

Smultalk

Afgaande op de lege rekken bloem en gist in de supermarkten werd in de Vlaamse keukens de voorbije weken gemixt, gekneed en gebakken dat het een lieve lust was. Ook wij kookten wel eens uitgebreider dan gewoonlijk. (Nu ja, wat wordt het nieuwe “gewoonlijk” na deze pandemie eigenlijk?) Activiteiten en uitstappen vielen weg, de klok tikte minder genadeloos verder en dus konden we de koksmuts iets langer opzetten.

Aan kookboeken en websites alvast geen gebrek. Ook (jonge) kinderen vinden er zeker en vast hun gading op hun maat en volgens hun smaak. Zelfs in kinderboeken kunnen ze recepten vinden, ja zeker! In zo’n lees – en doeboeken vormen de recepten een aanvulling op het verhaal dat uiteraard over koken of bakken gaat. Het beste boek in dit (beperkte) genre vinden wij het bijna 20 jaar oude Het kookboek/koekboek van Vos en Haas van Sylvia Vanden Heede. Vanden Heede vond het juiste evenwicht tussen verhaal en recepten, tussen lezen en bakken – en dat is een grotere uitdaging dan men zou vermoeden. Deze keer stroopt Vos zelf de mouwen op en dat hoeft niet te verbazen want we weten al langer dat hij een echte smulpaap is. Dit is Vanden Heede op haar best, met een vlotte, toegankelijke tekst voor prille lezers die ook geestig is en een mooi verhaal vormt. Het is puur vertelplezier en bovendien is ‘de lijst met lekkere dingen’ goed haalbaar voor jonge kinderen. (Oudere kinderen kunnen zich wagen aan bijvoorbeeld de zwevende taart, de geheime taart, de grastaart of de mislukte taart uit het Taartenboek van Toon Tellegen.)

IMG_20200420_094818

Let ook op de fijne illustraties van Thé Tjong-Khing, de vaste illustrator van Vos en Haas

Geen tijd te verliezen! Vos gaat meteen aan de slag en maakt appelflappen, ‘bloed en tranen-saus’, eierbootjes, groene soep, hardgekookte eieren, hartige hapjes, hete honingappels, hotdogs, kaasdadels, koekjeskeek, koekjes met appel, koekjes met noten en chocolade, liefdesappels, marmerei, soepballetjes, spekpruimpjes, spiegelij (sic), versierde koekjes, versierde soep, vliegezwammen, wortelstokjes, zoete hartjes,… STOP, VOS, STOP! Dat zal wel even volstaan voor vandaag… want ja… wie doet de afwas hierna?

In beeld #4

919. 837. 766. 562. 182.

Dit zijn enkele dagelijkse cijfers van mensen die hier of elders aan het coronavirus overleden. Ook al schrok ik telkens van het hoge aantal, de cijfers bleven toch enigszins abstract. Pas toen ik beelden zag van lange rijen doodskisten, rij na rij, kist na kist besefte ik de omvang van de pandemie ten volle. De cijfers werden individuele mensen. Dit waren vaders, moeders, zonen, dochters, geliefden van iemand die nu bittere tranen huilt. Door strikte voorzorgsmaatregelen stierven zij alleen. God hebbe hun ziel.

Wanneer de dood om ons heen waart is er de timmerman. Hij meet en maakt kist na kist na kist na kist. Er is veel meer werk dan normaal. Hoe meer doden hoe meer inkomsten. Hoe zou dat eigenlijk voor hem zijn? Is dat business as usual? Of eerder wrang? Of is het helend?

IMG_20200405_104454

@ Charlotte Peys, uit het boek Alles komt goed, altijd. Over een Ieperse familie in de Eerste Wereldoorlog. In het verhaal maakt de timmerman de kist voor zijn door een vijandige ontploffing overleden vrouw.

 

In stille, eenzame straten moet zijn getimmer als het luiden van de doodsklokken klinken. Of nee, laten we het heel anders voorstellen. In stille, eenzame straten klinkt zijn getimmer als het ritmische geroffel op takken en boomstammen van de specht. Dat klinkt als trrr of drrr…of zoiets. (Aan het geroffel herken je trouwens de soort specht, fascinerend toch.) Deze typerende klanken lijken op een machinegeweer maar zijn in feite gezangen; ze geven een boodschap door. Luister eens aandachtig, misschien wil de specht ons wel dit zeggen: trrr…alles, trrr…komt, trrr…goed, trrr…altijd!

 

 

Spekke

Mijn favoriete bonbon uit de doos van Toon Tellegen:

Aan de andere kant van de woestijn woonde de lemuur. Hij woonde daar afgelegen en alleen. Er was nog nooit iemand bij hem langsgekomen. Maar dat zegt niets, zei hij elke avond tegen zichzelf, dat zegt helemaal niets. Hij zat altijd op de uitkijk of er misschien in de verte iemand aan zou komen. En hij durfde nooit te slapen, want misschien zou er dan net iemand langskomen, die onverrichter zake verder zou gaan.

Soms was hij zo moe dat hij toch even in slaap viel. Dan schrok hij wakker, sprong overeind, keek in het rond en riep: ‘Was er toevallig iemand? Hallo! Ik ben wakker!’ Maar er was nooit iemand en opgelucht ging hij weer zitten. Op een dag was hij weer in slaap gevallen. Het was midden in de zomer en de zon stond groot en gloeiend hoog aan de hemel. Toen de lemuur na korte tijd wakker schrok lag er een briefje naast hem:

Beste lemuur, ik kwam even langs. Maar je sliep. Hartelijke groeten, de eekhoorn. 

De lemuur sprong omhoog, keek naar alle kanten en riep: ‘Eekhoorn! Eekhoorn!’ Maar er was geen spoor van de eekhoorn meer te bekennen. Toen trok de lemuur een voor een de haren uit zijn hoofd, stampte met zijn voeten op de grond en krijste net zo lang tot hij schor was. ‘Nu slaap ik nooit meer,’ riep hij. ‘Nooit meer.’ Hij gooide zijn stoel weg en zat alleen nog maar op puntige stenen. Hij at bedorven brandnetels waar hij zo’n buikpijn van kreeg dat hij er niet eens van had kunnen slapen. En hij zei dag en nacht tegen zichzelf: ‘Ik ben klaarwakker, lemuur, klaar-klaarwakker.’

Toch werd hij zo moe dat hij op een dag weer in slaap viel. Zijn buik brandde, de puntige stekels staken in zijn rug en hij mompelde nog: ‘Ik ben klaar-klaar-klaarwakker.’ Maar hij sliep en snurkte luid. Het was maar heel even geweest, maar hij vloog overeind en gaf zichzelf een enorme draai om zijn oren. ‘Luilak!’ riep hij. Toen zag hij dat er weer een briefje naast hem lag.

Beste lemuur, je sliep weer. Slaap je soms altijd? Ik weet niet of ik nog eens langskom. De eekhoorn.

De lemuur werd spierwit en even kon hij geen geluid uitbrengen. Alsof een dikke hand zijn keel dichtkneep en hem optilde en in stilte liet spartelen. Toen sprong hij zo hoog als hij nog nooit had gesprongen. Heel in de verte zag hij nog net het puntje van de staart van de eekhoorn, die juist achter een rots verdween. ‘Eekhoorn!’ gilde hij. ‘Eekhoorn!’ De eekhoorn hoorde hem nog net. Hij keek om en zag de lemuur. ‘Ik ben wakker’ riep de lemuur. ‘Wakker!’

Even later zaten ze tegenover elkaar. De eekhoorn zat op de oude stoel van de lemuur en de lemuur haalde een potje met iets zoets tevoorschijn, dat hij altijd al had. ‘Je ben mijn eerste voorbijganger, eekhoorn.’ zei hij. ‘Ik dacht echt dat je sliep,’ zei de eekhoorn. Ze aten het potje leeg en spraken over van alles. ‘Dit is mijn eerste gesprek,’ zei de lemuur zachtjes. ‘ Weet je wat ik nu ben?’ ‘Nee,’ zei de eekhoorn. ‘Blij,’ zei de eekhoorn. ‘Heel blij.’ ‘Kom,’ zei de eekhoorn, toen de zon achter de woestijn zakte en de hele hemel rood werd. ‘Ik ga weer eens. Dag lemuur.’ ‘Dag eekhoorn,’ zei de lemuur.

Op zijn tenen staand zag de lemuur de eekhoorn in de verte achter een rots verdwijnen. Toen ging hij liggen en viel in slaap.

 

(uit: Ze sliepen nog)

`