1+1 gratis

De weergoden lijken het nog niet te beseffen, maar de winter is wel degelijk begonnen. Tijd voor een nieuw seizoenskaramelleke, ditmaal van Reine De Pelseneer, auteur van de gedichtenbundel Ahoy!.

Winternacht

Wat gebeurt er buiten

als iedereen slaapt (behalve ik)?

Houden monsters een feestje?

Spelen spoken de baas?

Of geeft niemand een kik?

Ik kijk minutenlang

met mijn neus tegen het glas

en begrijp dat stilte nooit stiller was.

Ik zie sneeuw op de daken en lichtjes

op straat. De maan hangt er

bol en glimlachend bij.

Mijn raam is de lijst

van een nachtschilderij.


En omdat deze woorden ook zo mooi klinken:

Winter

De sterren wintertintelen en de maan

doorschijnt de melkwegnacht.

Het kraakt van sneeuw op de aarde

waar ik ga,

een nieteling, een adem wit,

een ademdamp van liefde en poëzie.

(Ida Gerhardt)

Zwart-wit

Met de hand op het hart zeg ik jullie: in mijn kindertijd heb ik Zwarte Piet nóóít bewust als iemand met een zwarte huidskleur gezien. Zwarte Piet was zwart door het roet van de schoorsteen, tiens. Hij moest elke schoorsteen in- en uitklimmen om cadeautjes en lekkernijen te brengen, want Sinterklaas was veel te oud om dat zelf te doen. Hoe oud was hij wel niet, zeshonderd jaar of zo? Wij hebben deze traditie ook zo aan onze kinderen doorgegeven. Ik schudde dan ook lange tijd meewarig het hoofd over de vermeende racistische en koloniale ondertoon van Zwarte Piet. Men kan mij van veel verdenken vond ik, maar toch niet van racisme zeker!

Tegelijkertijd moest ik wel toegeven dat Zwarte Piet mij als kind enige angst inboezemde. Hoe hij daar stond, met zijn pikzwarte gezicht, felrode lippen en fonkelende witte tanden, en met die vreselijke jutezak voor stoute kinderen … Het contrast met de goedmoedige Sinterklaas was groot. Met de Sint in de buurt kon me weinig overkomen, want hij had het laatste woord en ik was braaf geweest – zeker in de weken voor 6 december. Kijk, het zijn net die onbewuste, vaak subtiele associaties tussen huidskleur (zwart) en gevoelens (gevaar/angst) waar activisten tegen Zwarte Piet op wijzen. Vergezocht? Mja, toch niet, als je bedenkt dat het grootste deel van ons gedrag door het onderbewuste wordt gestuurd. Bovendien weten wij met onze witte teint nauwelijks hoe het voelt om op negatieve wijze op onze huidskleur te worden aangesproken. Het is mij één keer overkomen, hier ver vandaan, en ik reageerde echt onthutst. En dan zijn er nog die andere vragen. Kan iemand echt zo zwart van het roet worden? En waarom werd Zwarte Piet al te vaak afgebeeld met stereotiep dikke lippen, gouden oorbellen en kroeshaar/krulhaar?

Ben ik nu voor of tegen Zwarte Piet? Vind ik het concept van Zwarte Piet nu racistisch of niet? Verwacht van mij geen stellingname in dit gevoelige en vaak emotionele debat. Mensen voelen zich in deze kwestie opvallend persoonlijk aangesproken, want het raakt rechtstreeks hun identiteit. Voorstanders voelen zich aangevallen omdat de magische verhalen die hen vormden nu als fout worden beschouwd. Tegenstanders daarentegen ervaren de beeldvorming en het gebrek aan empathie als kwetsend. Ik verkies om me niet uitsluitend bij de ene of de andere zijde te voegen, maar om te luisteren naar het genuanceerde en onderbouwde discours van literatuur-en cultuurwetenschappers.*
Laten we eerst even kijken hoe bevoegde instanties inzake racisme en discriminatie Zwarte Piet beoordelen. In 2014 stelde het Gelijkekansencentrum (thans UNIA) dat het gebruik van de figuren Sinterklaas en Zwarte Piet geen strafbare vorm van racisme en ook geen wettelijk verboden vorm van raciale discriminatie is. Andere instanties hanteren een bredere definitie van racisme, die meer op onbewuste en alledaagse vormen van uitsluiting steunt. In die zin zijn er wel degelijk negatieve stereotiepe aspecten aan Zwarte Piet.
En wat vertelt de geschiedenis ons? Wel, tussen de twee uitersten blijkt zoals zo vaak bijzonder veel nuance, dubbelzinnigheid en gelaagdheid te liggen. Sinterklaas en Zwarte Piet zijn complexe figuren met een ontstaansgeschiedenis die veel verder reikt dan de kolonisatie en waarover verschillende interpretaties en denkpistes bestaan. Ik geef hierbij enkel de grote lijnen. Het is zeker niet mijn bedoeling om hier een definitieve of sluitende analyse over Zwarte Piet te presenteren; dat zou veel meer studiewerk van de primaire bronnen vereisen. Laat deze blogpost een uitnodiging zijn om zelf even stil te staan bij jouw beeld van Zwarte Piet.

De heilige Nicolaas was al vroeg in heel Europa een belangrijke heilige. Toch wordt zijn naamdag in slechts een handvol Noord-Europese landen met een echte Sinterklaasfiguur gevierd, en dan nog met flink wat regionale verschillen. In Spanje en Italië bijvoorbeeld brengen respectievelijk de drie koningen en de heks Befana op 6 januari geschenken en lekkers. De (huidige) figuur van Sinterklaas is geïnspireerd op legenden die aan drie heilige Nicolazen worden toegeschreven. Het Sinterklaasfeest zelf zou tot de dertiende eeuw teruggaan. Het feest lijkt zoals bij Kerstmis belangrijke elementen uit de Germaanse cultuur, in het bijzonder de cultus van de god Wodan, overgenomen te hebben. Denk aan de rol van de haard als offerplaats (later de schoorsteen), een figuur die zowel bedreigend als beschermend is, een buitengewoon paard, de roede (bij de Germanen een positief symbool, gevuld met levenskracht) en misschien zelfs de roetzwarte begeleider.

Jan Steen, Het Sint Nicolaasfeest, 1655. Prachtig tafereel, niet? Herken je de referenties aan het Sinterklaasfeest?

De beeldvorming zoals wij die nu in onze contreien kennen, is sterk beïnvloed door de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman. In 1850 verschreef hij het populaire boek Sinterklaas en zijn knecht. Hij portretteerde Sinterklaas als een statige bisschop met tabberd, mijter, staf en lange witte baard; en hij had had voor het eerst een donkere knecht, die het zware werk verrichtte. Sinterklaas was bij Schenkman streng, want het was hij die twee stoute kinderen in de zak stak. Sinterklaas en zijn naamloze knecht kwamen met een stoomboot uit Spanje en liepen samen op hun paarden over de daken. Het kan nu vreemd klinken, maar Schenkman was destijds echt vernieuwend. Lange tijd was Sinterklaas immers in de eerste plaats een boeman die als afschrikwekkende, zwart gemaakte man met rammelende kettingen snoepgoed uitdeelde en kinderen bang maakte. Deze figuren werden ‘zwarte klazen’ genoemd. (Dit soort boeman is nog in Oostenrijk te vinden met Krampus als een gemaskerde, in vodden geklede figuur met een ketting.) Schenkman maakte de Sinterklaasfiguur bevattelijker en menselijker.
Waar haalde Schenkman zijn inspiratie voor de knecht die volgens zijn verzen ‘zwart van kleur’ is? Zag hij zo’n personage op een schilderij of een gravure, in het echt of kende hij het van horen zeggen? En in welke mate werd hij beïnvloed door de context van kolonisatie en slavernij? Wetenschappers kunnen dit niet met absolute zekerheid zeggen. Er wordt geopperd dat zijn knecht in feite een Moorse page is, en zijn schoeisel zou aantonen dat hij een vrij man en zeker geen slaaf was.

Een afbeelding uit de eerste editie van Schenkmans fraaie Sinterklaasboek uit 1850. Sinterklaas herkennen we nog, maar kijk eens hoe de knecht is veranderd.

In de loop van de tijd veranderde de rol en het uiterlijk van Zwarte Piet regelmatig, onder meer door bepaalde bewuste en onbewuste maatschappelijke opvattingen en de verbeelding in populaire Sintverhalen en bijhorend illustraties. Zo nam hij de rol van kinderschrik over van de Sint en kreeg hij eind 19de eeuw een eigen naam. Ook deze naam heeft eeuwenoude wortels, want in Vlaanderen was het een van de vele namen voor de duivel. De stereotypering van Zwarte Piet als domme knecht met een pikzwart gezicht, grote rode lippen en krulhaar dook in Nederland veel vroeger op dan in Vlaanderen. Vanaf de jaren dertig blijkt dit uiterlijk overal de courante typering, ook al bleef het schoorsteenverhaal aanwezig. Onderschat de invloed van verhalen en vertellingen op de beeldvorming zeker niet. Kijk maar naar wat gebeurde op het einde van de twintigste eeuw: onder invloed van het druk bekeken en heerlijke tv-programma Dag Sinterklaas werd Zwarte Piet definitief de lieve en pientere vriend, en dus niet langer louter de knecht, van de verstrooide, oude Sinterklaas.

Het moge dus al lang duidelijk zijn dat Sinterklaas en Zwarte Piet geen statische figuren zijn, en dat er niet een ononderbroken traditie is. Het Sinterklaasfeest en de hoofdrolspelers hebben al eeuwen met evoluties, nieuwe accenten en veranderende beeldtaal te maken, soms snel, soms traag. Misschien zal ook Sinterklaas binnen afzienbare tijd opnieuw evolueren. En wat te zeggen van Roet(veeg)piet, want wie zal in tijden van groene en schone energie nog een vervuilende schoorsteen met roet aanvaarden? Hoe dan ook, elk element in deze geschiedenis is belangrijk. Een volledige en eerlijke lezing van het wetenschappelijk onderzoek, ver weg van de selectieve of tendentieuze analyses die al te vaak op het internet circuleren, kan een startpunt zijn om de principiële ja-neevraag over Zwarte Piet te overstijgen.

Godzijdank verloopt het debat hier in Vlaanderen niet zo intens als in Nederland. (In Franstalig België leeft de kwestie zelfs amper.) Daar vroeg illustratrice Charlotte Dematons in 2017 zelf aan haar uitgeverij om haar immens populaire boek Sinterklaas (bijna 150 000 exemplaren) niet meer te herdrukken. De steeds fellere polemiek rond Zwarte Piet werd haar te veel; te vaak werd ze voor racist uitgescholden. Het is nochtans een heerlijk kijk- en zoekboek; teder, hartverwarmend en respectvol gemaakt, maar ja, met wel heel zwarte Pieten. Ook in Vlaanderen is er geen weg terug. Al in 2017 besloten enkele TV-zenders, onderwijskoepels en speelgoedwinkels om Pieten met zwarte huidskleur te bannen. Ook Vlaamse uitgeverijen en boekenwinkels volgen deze weg. Boeken met (enkel) Zwarte Piet worden niet meer of sterk afgeprijsd verkocht. En wat zullen bibliotheken doen?

De taak van Zwarte Piet zit erop. Zijn afscheid zal voor nieuwe verhalen, versjes en liedjes zorgen. Want hoe mooi zijn al die verhalen wel niet? En hoe vertederend is het niet om kinderen vol verwachting te horen zingen? De klassieker van Charlotte Dematons uit 2007 lijkt, officieel dan toch, verleden tijd. Dat is best vreemd, hoor. Maar kijk, een nieuwe klassieker biedt zich al aan. In Sinterklaasliedjes lijkt illustrator Mark Janssen het feest aan de kinderen terug te geven. Zij spelen de hoofdrol, want zij brengen de zak vol pakjes naar Sinterklaas, in decors die naar bekende Sinterklaasliedjes verwijzen. Het is een prachtig en hartverwarmend prentenboek. Wij smelten ook helemaal voor Zie de maan schijnt door de bomen van Mies van Hout, waarin enkele dieren de komst van Sinterklaas beleven. De verrukking en vreugde van het vosje bij de aankomst van de Sint is voor ons pure ontroering. Dit is voor ons een van de mooiste en gevoeligste illustraties ooit, echt waar. Ik kan alleen maar hopen dat deze parel op 6 december in élk, maar dan ook werkelijk élk schoentje ligt.

Okee, wij smelten opnieuw… (c) Mies van Hout

* Zoals: Van Nicolaas van Murat tot Sinterklaas, Rita Ghesquiere en Het geheime boek van Sinterklaas, Floortje Zwightman en Sassafras De Bruyn (ill.), een boeiend geschiedenis boek voor onttoverde kinderen.

Zinnen van zijde #3

De esdoornbladeren voor het ziekenhuis gloeiden rood en goud. Ik stond voor het raam en keek naar buiten. En ik dacht: wat is het toch vreemd dat blaadjes op hun mooist zijn vlak voordat ze van de bomen vallen.

…. Schoon, hé.

Deze poëtische reflectie komt uit De weglopers, het laatste boek van de Zweedse auteur Ulf Stark (1944-2017), die we ook kennen van Liefde is niet voor lafaards. De weglopers is een van de acht boeken die kinderen uit het derde en vierde leerjaar dit jaar voor de Kinder- en Jeugdjury (KJV) zullen lezen. De KJV is een Vlaamse boekenjury waarbij kinderen tussen vier en zestien jaar zélf hun stem kunnen laten horen. De lezers (vorig jaar zo’n 11 000) mogen zelf kiezen welk boek hen het meest kon bekoren. Dat is uniek, want zijn het niet vaak volwassenen die bepalen wat een goed kinderboek is?

Een mooie oogst dit jaar

Ik weet niet of De weglopers hun favoriet zal zijn, misschien zelfs helemaal niet. Dat geeft niet. Want hoe mooi is het niet dat zo’n 1500 acht- tot tienjarigen dit fragment zullen lezen. En wie weet zullen ze zich ooit deze zijden zinnen herinneren terwijl de kleurrijke herfstbladeren onder hun voeten knisperen.

Van A tot Z

Eind juni werd de tweede versie van de literaire canon voorgesteld. Onmiddellijk werd het kransje van 50 (+1) sleutelwerken uit de Nederlandstalige literatuur onderwerp van een stevige discussie. Dat kinder- en jeugdliteratuur nadrukkelijk uit deze lijst wordt geweerd, is opvallend en eveneens voer voor publiek debat, me dunkt. Nu goed, het zette me wel aan het denken. Waarom stelde ik niet zelf een literaire canon met onmisbare kinder- en jeugdboeken samen?* Et voilà, hier is onze persoonlijke canon in 26 haltes, voor elke letter een lofzang op een boek dat voor ons bijzonder waardevol is, een snaar bij ons raakt en mooie herinneringen met zich meedraagt.

De letter A doet ons reizen en zwerven, dichtbij en verder weg. Hoe vaak waren wij niet met Atlas van het Poolse echtpaar Aleksandra Mizielińska en Daniel Mizieliński onderweg? “Waar gaan we deze keer heen?” vroegen de kinderen zich opgewonden af want ze stonden te popelen om te vertrekken. En dus lieten we de atlas op een willekeurige bladzijde openvallen en een onze reis rond de wereld kon beginnen. (Tiens, achteraf beschouwd viel de atlas wel héél regelmatig open op Australië, destijds het Beloofde Land voor ons koalavriendinnetje thuis.) Wat wij allemaal beleefd en gezien hebben! Egypte, Namibië, Ghana, Mongolië, India, China, Canada, Peru, Mexico, Madagascar, Polen, Roemenië, Ijsland… noem maar op. Geloof me, met dit bijzondere kijk- en leerboek hebben wij samen de hele wereld gezien.

Bij elke doortocht doen we nieuwe ontdekkingen. Een verrassende atlas vol geïllustreerde weetjes over planten, dieren, cultuur, geschiedenis, gastronomie en kledij. Zelfs de populairste jongens- en meisjesnamen worden vermeld.

Dikwijls namen de kinderen de atlas spontaan uit de boekenkast om in hun eentje de expeditie verder te zetten. Ik zie nog zo voor me hoe ze zich in gewijde stilte over het boek bogen, met hun vingers zachtjes over de woorden en illustraties gleden en heel geconcentreerd alle details in zich opnamen als waren het geheime tekens van een wonderlijke schat. Ik meen zelfs dat ik hun hart sneller hoorde kloppen. En ik vraag me af welke dromen en verlangens tijdens deze zeer rijke uren in hen ontloken.

Wat betekent de letter A voor jullie?

* Ik denk ook aan een persoonlijke canon voor volwassenliteratuur.

Herfst!

Nazomer of herfst?

We hebben land op zee gewonnen. We hebben de loop van rivieren verlegd. We hebben bergtoppen bedwongen. Toch blijven we nietige mensen in het grotere geheel. Tegen de kracht van de natuur vermogen we soms helemaal niets. Dit streepje poëzie maakt het nog eens duidelijk. Misschien niet het beste herfstgedicht, maar wel een mooi beeld:

Straatveger

Een ongelijke strijd: één

man gewapend met één bezem

tegen miljoenen bladeren.

Op de hoek wacht de roestige kar,

in het portiek loert de wind.

O, een straatveger in de herfst!

De bomen lachen zich krom.

(Bas Rompa)

In de biechtstoel

Goed, ik beken: lange tijd heb ik nauwelijks iets van het kruim van Vlaamse schrijvers uit de late 19de en de (ruime) eerste helft van de 20ste eeuw gelezen. Louis Paul Boon, Cyriel Buysse, Willem Elsschot, Stijn Streuvels, Gerald Walschap … Ik liep met een wijde boog om deze auteurs heen. Meer zelfs, ik keek neerbuigend op hen neer, want hun beider voeten stonden stevig in de Vlaamsche klei en dat kon onmogelijk goed werk opleveren. Een hovaardige en bespottelijke attitude, ik weet het. En dat ik tijdens mijn jeugd iets te vaak op 11 juli de film Het gezin van Paemel heb gezien, het toneelstuk van Buysse over het Vlaamse boerenleven in de 19de eeuw, was ook geen aanmoediging. Nee nee, tussen deze Vlaamse schrijvers en mij zou het nooit iets worden.

Ik was dan ook behoorlijk verrast toen ik enkele maanden geleden voor mijn verjaardag In betere kringen van Cyriel Buysse (1859-1932) cadeau kreeg. Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat ik ook lichte ontgoocheling voelde want ik had een heel ander boek verwacht. Toch begon ik uit hoffelijkheid in Buysses bundel van satirische kortverhalen te bladeren. En ja … algauw moest ik erkennen dat Buysse mja misschien toch niet zo waardeloos was. In betere kringen las ik in één beweging uit en daarna haalde ik hongerig zijn ‘t Bolleken uit onze boekenkast. Cyriel Buysse blijkt een meeslepende verteller die mij in meerdere opzichten behoorlijk verraste. (Ik las nog maar twee boeken uit zijn omvangrijke oeuvre dus vraagteken beoordeling zekere verdere verfijning.)

Zijn stijl en taal, gelardeerd met het sappige Oost- Vlaamse dialect van de gewone mensen, voelen vlot, ongekunsteld en toch verfijnd aan. De signatuur van een eigentijdse auteur zou men denken, ware het niet dat zijn werk vaak ruim een eeuw oud is en hij over een oude verdwenen wereld schrijft. Zijn verhalen lezen als sfeervolle historische documenten over de wereld van gisteren. Over de sociale verhoudingen (en taboes) bijvoorbeeld die tot in de eeuwigheid vast leken te liggen en algemeen aanvaard werden. Of over de kiesstrijd op het platteland waarbij potentiële kiezers met eten en drinken werden verleid. Twijfelaars die hun keuze geheim wisten te houden, namen gretig bonnetjes van beide kanten aan en hadden dus recht op twee maaltijden en tien glazen bier.* De drank, ja die vloeide steeds rijkelijk. En wanneer na het glas of de borrel te veel de maskers vallen, worden de tronies lelijk en gemeen door achterklap en geroddel. Want Buysse weet de kleinmenselijke aard met al zijn gebreken, zwakheden en onhebbelijkheden voortreffelijk en vol gevoel te portretteren – vaak met een mild ironische ondertoon (maar zeker geen spot). Hij getuigt van groot psychologisch inzicht, zoals in de beschrijving van de minder gegoede oude meneer met rood gezicht en zijn corpulente, aldoor kortademige vrouw die in het familiepension afkeurend en tegelijkertijd afgunstig reageren op een knap jong meisje dat met een jongeman uit het nabijgelegen luxehotel aanpapt.*

Op stap met Cyriel Buysse in een verdwenen wereld.

Wat mij het meeste trof, was de eenzaamheid die de hoofdpersonages met zich meedragen. Hun onvermogen tot oprechte en innige relaties is opvallend. Liefdesrelaties tussen verschillende sociale klassen kunnen en mogen niet beleefd worden – Buysse heeft dit zelf ook ervaren. Want dat “azen ne rijke jongen en mee zulk ‘n educoassie” uit liefde met de beeldschone dochter van de herbergier huwt, “mee azeu iene” – nee, dat konden en wilden de mensen niet geloven, dat was ongehoord en ongezien. Het koppel wordt dan ook geminacht.* Het salonleven in de betere kringen oogt ijdel en afstompend. En de drank, die maakt veel kapot: dromen, carrières, relaties, levens.

Dus ja, ik was onder de indruk van Cyriel Buysse. Worden onze Vlaamse klassieke schrijvers nog gelezen? Ik mag hopen van wel. Zeg dat deze bekeerlinge het gezegd heeft.

* uit ‘t Bolleken, 1906.

*Uit: Pension de famille, 1929

* uit ‘t Bolleken, 1906

Zinnen van zijde #2

Over In het zwart van de spiegel van de Nederlander Peter Delpeut zijn de meningen opmerkelijk verdeeld. Vindt de ene recensent het “toverwerk”, dan klaagt de andere over het boek als een “afmattende ervaring”. Zelf bevind ik me in het midden van deze twee uitersten. Het toont nogmaals hoe persoonlijk en subjectief een recensie en een leeservaring tout court zijn.

Deze ambitieuze roman brengt een liefdesgeschiedenis, een reisverhaal, een essay over kunst én een kunsthistorisch onderzoek bijeen. (Ik zal hier niet al deze aspecten belichten.) Centraal in deze meerstemmige roman staat de 17de-eeuwse landschapsschilder Claude Lorrain (geboren Gellée) – maar ook gewoon bekend bij zijn voornaam: Claude. Ik beken: ik had nog nooit over Claude Lorrain gehoord. Had ik tijdens de cursus kunstgeschiedenis even niet opgelet, of was hij het vermelden niet waard? Best vreemd, want tijdens zijn leven in Rome groeide hij uit tot de befaamde en gegeerde meester van het geïdealiseerde landschap. Een eeuw later werd hij het grote voorbeeld van Engelse landschapsschilders en landschapsarchitecten en was hij immens populair bij aristocratische kunstverzamelaars. Als geen andere kon Claude in zijn schilderijen en tekeningen met licht en schaduw toveren. Warm licht bij valavond, glorieus ochtendgloren, intens licht dat op een wateroppervlak weerkaatst … Ik voel dadelijk dat mijn vocabularium te beperkt is om Lorrains licht in woorden te vatten. Liever leid ik jullie naar deze galerij, waar jullie de meester zelf kunnen ontmoeten.

Zijn naam en faam zijn ook innig verbonden met de Claudespiegel of miroir noir/ zwarte spiegel, een voorwerp dat ik ook niet kende. De Claudespiegel is een kleine draagbare, enigszins gebolde spiegel met een zwarte ondergrond, ontstaan in de 18de eeuw in Engeland. Het lijkt wel een toverspiegel. Want met de rug naar het landschap zie je het landschap zoals je het nooit met het blote oog zou kunnen zien. In de spiegel wordt het landschap immers gecomprimeerd tot een harmonieus geordend geheel, tot een imaginair landschap in de beste traditie van Claude Lorrain. Anders gezegd, de natuur wordt een esthetische ervaring als was het een schilderij van Claude zelf.

Zou de Claudespiegel nog ergens te vinden zijn? Ik zou er alvast eentje willen proberen.

Fascinerend, niet? Wel, voor de hoofdpersoon in de roman groeit Claude Lorrain uit tot een ware obsessie. Reizend door onder meer Italië, Duitsland en Engeland gaat hij op zoek naar sporen van Lorrain. Hij troont ons mee naar musea, archieven, kunstverzamelingen, landhuizen en parken. We ontmoeten kunstenaars als Nicolas Poussin, William Turner, John Constable en Anselm Kiefer.

Wat bezielt hem om zijn onderzoek zo minitieus en zo gedreven te doen, als was hij een manische bezetene? Hij zeg hierover: “Het gaat me nooit om wat een kunstenaar kan, maar om wat hij gezien heeft. Zijn ervaring tillen naar mijn zien, daar draait het om in kunst.” De hoofdpersoon wil zo dicht mogelijk bij de schilder komen. Zien wat hij gezien heeft. Ervaren wat hij ervaren heeft. Dus trekt hij bijvoorbeeld naar Tivoli, in de Campagna rond Rome, om het uitzichtpunt van Claude op dit schilderij terug te vinden en om vanop die exacte plaats het bijzondere avondlicht zelf te ervaren.

A View of the Campagna from Tivoli
A view of the Campagne from Tivoli : te bewonderen in de Picture Gallery in Buckingham Palace

Zijn drijfveer daagt me uit, want ik had kunstwerken en schilderijen amper op deze manier benaderd. Het is voor mij een uitstekende aanmoediging om ver voorbij thema en techniek te leren kijken, om meer te ervaren in plaats van louter te zien. Ik heb echt genoten van zijn pelgrimage. Net zoals de hoofdpersoon had ik de iPAD steeds bij de hand om ijverig namen, plaatsen en kunstwerken op te zoeken. Deze roman is werkelijk een goudklompje voor wie houdt van traag lezen over een fascinerend hoofdstuk kunstgeschiedenis.

De passie voor Claude is voor mij tegelijkertijd de achilleshiel van deze roman. Het blijkt niet vanzelfsprekend om de vier verhaallijnen telkens opnieuw zorgvuldig in elkaar te vlechten. Evenwicht en focus in de roman raken soms wat zoek, onder meer door enkele wijdlopige biografische uiteenzettingen. (Het zijn in elk geval mensen van vlees en bloed, geen bordkartonnen figuren.) De lezer kan al eens afdwalen en het overzicht verliezen. Mij is het enkele malen overkomen, anderen dan weer niet. En zij zullen vast ook Delpeuts breedvoerigheid betwisten. Ik zei het al eerder: ook een leeservaring is en blijft zeer persoonlijk.

Hoe het ook zij, laat mijn kritische kanttekening jullie zeker niet ontmoedigen om deze vuistdikke roman te lezen. Want In het zwart van de spiegel is een rijkgevulde schatkamer van originele overpeinzingen en beschouwingen (die vaak melancholisch van aard zijn) over kunst en natuur, over het leven en de liefde, over afscheid en vergankelijkheid. Over alles dat ons raakt en roert dus. Delpeut schenkt ons ook sublieme beschrijvingen van lucht en wolken, van licht en schaduw, van de natuur om ons heen. Het is een appel om de ogen te openen, meer zelfs, om àlle zintuigen aan te scherpen. In ieder geval kan ik niet meer naar het samenspel van natuur en licht kijken zonder aan Claude Lorrain te denken.

Het ganse boek is eveneens een uitnodiging om naar hartenlust woorden, zinnen of zelfs hele passages die jou aanraken, doen stilstaan of nadenken te onderstrepen of in de marge enkele uitroeptekens te zetten. Of zoals ik pleeg te doen: vlijtig overschrijven in een Schriftje voor Schone Woorden. (En stiekem hopen dat ik ook ooit in staat ben om zoveel fraais te bedenken.) Welke woorden precies doen vertragen, zal voor iedereen anders zijn. Dit is alvast mijn uitverkorene uit deze roman: “Tekeningen moet je in je handen houden om te begrijpen waar hun kracht zit. Ooit lagen ze in de schoot van de tekenaar, als een schetsboek, of als losse bladen in een leren band. Hoe dichter je bij die houding komt, hoe meer de tekening je haar leven geeft.”

Om stil van te worden.

Wanderlust

De zomervakantie staat voor de deur en de grenzen zijn opnieuw open. We kunnen dan toch onze koffers pakken, en dat is voor velen een grote opluchting. Sommigen beschouwen reizen als een grondrecht. Maar hoelang al kunnen wij met z’n allen eropuit trekken, puur ter vermaak en ontspanning? Vijftig, zestig jaar misschien en het is vooral een vrijheid voor mensen uit het Westen. Reizen is een groot voorrecht, laten we dat niet vergeten.

Thuis, vlakbij of wat verder, overal zijn mooie werelden – als we dat kunnen zien tenminste … Fijne zomer!

Werelden in mijn hoofd

Ik reis graag naar vreemde landen
En onthoud dan hoe het was
Want al die landschappen en beelden
komen dagelijks nog van pas.

Zo heb ik in mijn hoofd
Een woeste grillige woestijn
Waar ik naar toe kan gaan
Als ik alleen wil zijn.

Ik heb een berg
Vanwaar ik ver kan kijken
Naar ’t verleden of naar dingen
Die ik ooit nog wil bereiken.

Ik heb een grot
Met lange donkere gangen
Waar ik naar toe ga met een wens
Of een geheim verlangen.

Ik heb een wilde zee,
Daar duik ik soms in onder
Dan laat ik me verrassen
Dan zwem ik in een wonder.

Ik heb zoveel in mijn hoofd
Er komen dagelijks werelden bij
Waar niemand ooit geweest is:
Die zijn alleen van mij.

(Rian Visser)

Tijdlens

Ik was twaalf jaar toen ik een plechtige gelofte aflegde. Een van mijn dochters zou ik Hasse noemen, naar Hasse Simonsdochter, het hoofdpersonage uit het gelijknamige boek van de Nederlandse Thea Beckman (1923-2004). In die dagen lag Hasse Simonsdochter me bijzonder na aan het hart. Ik bewonderde haar, want ze stond voor alles dat ik als bange wezel niet kon of durfde. Hasse met haar fonkelende donkere ogen en ravenzwarte haren. Hasse, het onverschrokken en vrijgevochten meisje dat zo hield van dwalen door de polders en het rietland. Hasse die aan de zijde van een vaandel huurlingen, die God noch gebod kende, een spannend en ongebonden leven leidde. In een woord, Hasse Simonsdochter was gewéldig!

Jaren later heet niet een van mijn dochters Hasse. Al die tijd had deze naam voor mij zelfs geen enkele betekenis meer. Mijn belofte bleef diep verborgen en onaangeroerd in een van de kamers van mijn geheugen liggen. Pas toen de oudste dit boek uit haar klasbibliotheek meebracht, kwam ze me langzaam voor de geest, als een zachte weerklank uit Lang Geleden. (Zo gaat dat dus met de woorden van eer uit onze jeugdjaren. Op dat moment lijken ze in steen gebeiteld, niet te verbrijzelen, maar uiteindelijk blijken ze uit losse kiezelsteentjes te bestaan.) Telkens ik nu de naam Hasse hoor of lees, vraag ik me af of deze meisjes naar Beckmans onvergetelijke personage werden genoemd en of ze hun naam met fierheid dragen. Ik mag hopen van wel!

De iconische cover uit de jaren ’80 … een onvergetelijk boek! (Al bleek dit in mijn geval relatief.)

Niet Hasse Simonsdochter maar Kruistocht in spijkerbroek is Beckmans meest gerenommeerde roman. Dit verhaal uit 1972 over de jongen Dolf die naar een Kinderkruistocht in het jaar 1212 wordt geflitst, is tot ver voorbij de landsgrenzen befaamd. Bijna 50 jaar na de eerste uitgave is het boek nog steeds in herdruk en het werd voor film, theater en musical bewerkt. Thea Beckman is geheel terecht la grande dame van de historische jeugdroman. De jaarlijkse (Nederlandstalige) literaire prijs voor dit genre werd dan ook naar haar vernoemd. Tal van haar boeken groeiden uit tot ware klassiekers die decennia later nog steeds gelezen worden. Ik zie het wel vaker: verhalen die ons als kind bijbleven geven we nu maar wat graag aan onze eigen kinderen door. Deze boeken worden gedeelde herinneringen, waarbij we verleden en heden zachtjes aan elkaar rijgen. Bij sommige volwassenen volgt hierna de grote ontnuchtering: het verhaal blijkt dan toch niet zo razend spannend als in hun herinnering – het leest niet meer zo vlot – echt bijzonder is het niet … Zelf ervaar ik deze ontgoochelingen niet. Ik voel nog steeds diezelfde intense opwinding en sensatie als toen, alsof ik weer dat tienermeisje ben dat met blozende wangen en boekenogen bladzijde na bladzijde verorbert. De kritische, analytische (“volwassen”) blik kan ik gemakkelijk uitschakelen.

Uiteraard voelen taal en stijl enigszins verouderd aan. Taal is immers het verbale herscheppen van de wereld om ons heen en onze taal verandert omdat de wereld zelf voortdurend in verandering is. Ook voorkeuren en verwachtingen evolueren. Dat is bij volwassenliteratuur en film- of muziekbeleving niet anders. Toch hindert dit de meeste jongeren van nu amper. Want wat verteltalent en beleving betreft moeten de oudjes zeker niet onderdoen voor jongere generaties als Noëlla Elpers, Rob Ruggenberg (+ 2019), Jean-Claude van Rijckeghem, Simone van der Vlugt of Floortje Zwigtman.

Vooral Jean – Claude van Rijckeghem staat bij recensenten én jongeren hoog aangeschreven. (Deze gezamenlijke waardering is uitzonderlijker dan men zou vermoeden.) Hij schrijft levendig en zintuigelijk met rake observaties; we kunnen het verleden als het ware zien, horen, ruiken, voelen en proeven. Ook wij dragen van Rijckeghem een warm hart toe, want in enkele romans spelen moedige meisje de hoofdrol. In een wereld die door mannen wordt gedomineerd komen zij voor zichzelf op en nemen hun lot resoluut in handen. En aan wie doen Margaretha van Male (uit Jonkvrouw), Gitte Niemandsdochter (uit Galgenmeid) en Stans (uit Ijzerkop) denken? Juist … aan Hasse Simonsdochter natuurlijk! Al kunnen zij in mijn ogen niet – nooit! aan Hasse tippen. Maar kijk, de cirkel is rond, altijd.