Zinnen van zijde #1

Charisma.

Aan dat woord dacht ik spontaan tijdens het voorlezen van Liefde is niet voor lafaards. Een charismatisch boek – daar heb ik eigenlijk nog nooit van gehoord maar zou het dan niet kunnen? Want dit boek heeft iéts, heeft hét: een bijzondere gave, een aantrekkingskracht die niet onmiddellijk te duiden of te verklaren is. Charisma dus.

Op zich is het verhaal weinig opzienbarend. Kleine Fred mist zijn vader die in de oorlog dient. En hij draagt een geheim met zich mee: hij is verliefd op Elsa, een bijzonder meisje uit zijn klas.

Maar werkelijk, wat een mooie, rijke taal! Het zijn zinnen die als de zachtste zijde aanvoelen. Vaak schuilen de mooiste beelden in eenvoud, in het ongekunstelde. Wel, auteur Ulf Stark is een meester van de eenvoud; met weinig woorden kan deze beeldhouwer de mooiste beelden creëeren. Geniet even mee van ons favoriete fragment: “Ik liep naar de diepe kledingkast. De lamp deed ik niet aan. Ik liet wel de deur een eindje openstaan. Daarbinnen kon je de wind door een kier horen suizen. Op de grond zag ik papa’s dansschoenen, ze stonden klaar om precies op de maat over de vloer te glijden. Papa hoefde er alleen zijn voeten maar in te steken. Daarboven hing zijn nette pak, het was donkerblauw met dunne lichtgekleurde streepjes. En op de plank lag papa’s hoed te wachten op zijn met haarwater gladgekamde hoofd. Als ik in het halfdonker mijn ogen bijna dichtkneep was het net alsof hij daar echt helemaal stond. ‘Wil je een geheim horen?’ fluisterde ik. ‘Natuurlijk, kerel,’ suisde de papa-kier.”

IMG-20200111-WA0009

Een kleinood in de ware betekenis: klein van formaat maar groots van inhoud.

Vooruit dan, nog een laatste vooraleer jullie zelf het verhaal gaan lezen: “Toen ik de volgende ochtend half rennend door de gang liep kreeg de directeur me te pakken. Ik was te laat. Ik had naar een bevroren goudvink op een tak staan kijken, terwijl ik over Elsa nadacht.” 

Heerlijk toch?

 

* Zinnen van zijde als aparte rubriek want soms zijn zinnen gewoon te mooi en te bijzonder om ze voor onszelf te houden.

 

Winterwandelen

 

Mispeldonk, eind december, middaglandschap.

De zon staat laag aan de horizon en trekt blauwe en oranje tinten.

Dat het koud is zal ik merken.

Ik wandel –

langs de kale hoge bomen lijkt het op majestueus schrijden.

Onder mijn voeten knerpt het grind.

 

Links aan de beek ga ik de weiden in.

Aan de einder grazen Gallowayrunderen.

Elders twisten eksters.

Een winterkoninkje vliegt voor me uit.

Het dode hout van oude bomen ontvangt nieuw leven.

Kijken en weinig zien.

Ik weet niet veel van deze wonderen en dat betreur ik.

Ik zie voetsporen – oude en nieuwe.

Zo veel wandelaars hebben het pad reeds gevormd.

Ik hoef hun voeten maar te volgen om me te laten leiden waar ik heen wil.

 

Of niet?

Maak ook ik niet mijn afdruk in dit landschap?

Bestaat deze weg echt al?

Of ontstaat zij steeds opnieuw al wandelend?

 

Geïnspireerd op: ‘Caminante no hay camino’ van Antonio Machado en ‘De oude wegen’ van Robert Macfarlane

De koudste winter

Treur niet, lieve. Ik ben tegen Kerstmis thuis.

Dachten ze.

Het werden vier lange winters.

En ze knakten als bloemen in de vrieskou.

IMG-20191121-WA0001.jpg

@ Judith B.D.

 

Winter in Ieper (1918-2018)

Wij kwamen naar Ieper om de grote oorlog terug te kijken.

Wit uit de grond gestoken staan, de loopgraven toegedekt

met beleefd geschoren gras, in eindeloos gelid van duizenden

en duizenden soldaten hun botten als zerken strak omhoog.

Er zijn fabrieken naast gebouwd en van de akkers rondom

zijn de spruiten geoogst. De wieken van de windmolens

hoog boven ons geven aan dat de tijd nog steeds verstrijkt.

We lopen door bevroren slijk naar waar de jongens liggen.

Zo bewaart Ieper de doden van een eeuw geleden: 

ze kregen verse stenen boven hun gebeente en hun namen

blijven scherp gesneden in ‘t gesteente, of heten voortaan

Known unto God. Wie zond die jongens de dood in?

Hun vaders en moeders niet. Er zijn geen ouders meer 

die huilen dat hun zoon ver weg van huis bij Ieper ‘t leven liet.

De tijd ging honderdmaal heen. Alleen de trouwe kou is er 

nog en elke winter vindt het gras bevroren tranen terug.

(Ted van Lieshout)

 

Hij komt! Hij komt!

Of hij dat nu echt niet meer wist, vroeg ik hem verbaasd. Hij haalde zijn schouders op met een grijns die zowel bevestiging als ontkenning kon betekenen. Ikzelf herinnerde me het nog levendig, o ja. In onze kindertijd hadden mijn broer en ik het regelmatig met elkaar aan de stok. Volgens het klassieke patroon van oudere broer plaagt en jent, kleine licht ontvlambare zus reageert als door een wesp gestoken. Bij momenten werd mijn moeder er hoorndol van. Zo was het ook die zaterdagnamiddag vlak voor 6 december. Ik was een jaar of zeven, acht en zoals steeds keek ik reikhalzend uit naar de komst van Sinterklaas. Maar ook die dag was er voortdurend gekrakeel en gekissebis en deze keer hielp daar geen lievemoederen aan. Tot…

ik stond als verstijfd… Er hing een briefje aan de deur van de woonkamer en ik herkende het sierlijke handschrift meteen. W…wwat? Een briefje van Sinterklaas zelf? Hij was dus hier binnen geweest? Hoe kon dat, ik was toch maar even in een andere kamer geweest? Ik snelde naar het raam in de hoop nog een glimp van hem  te mogen zien. Dat we stil en rustig moesten zijn, stond er dreigend, want anders zal ik niet langskomen. Getekend: Sinterklaas. Ik barstte haast in tranen uit. “Je moet ophouden” gilde ik met overslaande stem, “anders zal Sinterklaas niet komen!”. Mijn broer daarentegen grijnsde breed. En terstond begon hij me te prikken en uit te dagen en probeerde hij me in de val te lokken. O, wat was het moeilijk om hem te weerstaan, maar ik was sterk – àlles zou ik voor de Sint hebben gedaan – en nee ik liet me uiteindelijk niet verleiden. Maar wat een lefgozer was mijn broer toch. Ik kon  maar niet bevatten waarom hij Sinterklaas zo hard durfde te tergen.

Nu goed, die namiddag was het thuis wel muisstil.

 

Dus ja, het versje Pas op voor Sinterklaas zou ook uit de koker van mijn moeder kunnen komen:

Je hoefde enkel maar te zeggen:

Sinterklaas staat op het dak,

en dan waren ze gehoorzaam

en zo lief en zoet en mak.

Pas op voor Sinterklaas,

hij staat te luisteren misschien.

Pas op voor Sinterklaas,

hij staat op ‘t dak en kan jou zien.

En dan waren ze zo aardig

en zo lief en zo hulpvaardig

maar helaas, helaas, helaas,

ze geloven nu niet meer in Sinterklaas.

‘k Vond mijzelf wel eens een monster

als ik dreigde met de zak.

‘t Was misschien niet pedagogisch

maar ‘t was wel een groot gemak.

(Annie M.G.Schmidt)

 

 

Familie- icoon

Wanneer wij de heldere roep van de koekoek horen, denken wij spontaan aan… een vos. Meer bepaald aan Vos, van het onafscheidelijke duo Vos en Haas. Op een dag is Vos het tuinhek aan het schilderen. Tot hij “koek koek!” en nog eens “koek koek!” hoort. Dat moet je de altijd hongerige zoetekauw geen tweede keer zeggen. “Waar koek? Hoe koek? Ik weet van geen koek! bromt Vos. ‘Koek koek! Koek koek!’ Waar ben je? Waar zit je? Kom op! Laat je zien! Zeg waar de koek is. Ik wil ook een stuk!” En Vos laat terstond verfpot- en borstel vallen, volgt gretig de roep naar koek en raakt de weg in het bos kwijt… ai ai, hopeloos verdwaald! (uit: Koek Koek Vos en Haas)

Heb je het opgemerkt? Hoe eenvoudig de woordenschat is? Koek Koek Vos en Haas bestaat alleen uit eenlettergreepwoorden. Anders dan bij sommige ronduit saaie boeken voor eerste lezers voelt auteur Sylvia Vanden Heede zich helemaal niet begrensd om beginnende lezers een prachtig, spannend en grappig verhaal te schenken. Een goed verhaal kan immers ook met weinig woorden.

Wij moeten zowat àlles van Vos en Haas gelezen hebben. Het meest hechten we aan Vos en Haas op zoek naar koek. (Ja, alweer trekt Vos eropuit om lekkers te vinden.) Toevallig is dit het allereerste boek dat ik als jonge moeder kocht. De kinderboekenwereld was me toen nog volledig vreemd en onbekend. Ik nam dit boek niet om literair-esthetische redenen maar gewoon, heel banaal, omdat het in promotie stond. Maar wat een heerlijk boek! Zonder overdrijven: úren hebben wij op bed of in de zetel in dit boek gebladerd en gelezen. Bij de illustratie van de royale desserttafel van Haas en Uil (pannenkoeken! wafels! taart! koekjes!) volgde telkens hetzelfde ritueel: (Zij): ik neem een wafel. En ik neem een koekje. Ik neem ook een pannenkoek. Ik ook! En wat neem jij, Moeke? (Ik): Ik neem…alles (en ik graaide alle lekkers mee). (Zij): Nee-ee, Moeke, niet doen! Hihihi, elke keer trapten ze met open ogen in de val.

DSC_0513

Vos en Haas: nu ook als animatiereeks maar niets gaat boven het boek @Thé Tjong-Khing (Vos en Haas op zoek naar koek)

Wat ons betreft mag de reeks Vos en Haas in De Vlaamse Canon. In onze canon prijkt het tweetal al lang. Want onze canon, dat is geen lijst van (moeten) kennen en weten. Dat is van: na lange tijd dit boek nog eens vastnemen, ineens ons ritueel herinneren, bij deze herinnering een tintelend warm gevoel ervaren en uiteindelijk niet meer stoppen met glimlachen…

 

 

In beeld #3

Een huid zo wit als sneeuw, lippen zo rood als bloed, haar zo zwart als ebbenhout… Dat moet wel Sneeuwwitje zijn. En, welk beeld van haar heb jij in je hoofd? Vast dat van Walt Disney, is het niet?

763

Het meisje met de allerliefste oogopslag van alle sprookjesfiguren. (En sinds 1937 poetst ze ook zo graag.)

Ja, de toverspiegel had gelijk: het is waarachtig een heel mooi kind. De verzinnebeelding van pure onschuld.

Maar kan jij je Sneeuwwitje ook anders voorstellen? Zo bijvoorbeeld…

DSC_0463 (2)

Ook dit kan Sneeuwwitje zijn @ Piet De Loof en Benjamin Lacombe (ill.)

Is het even schrikken? Want Sneeuwwitje is hier sensueel, zinneprikkelend en zwoel. In deze illustratie legt het lieve meisje het strakke keurslijf van de gebroeders Grimm en Walt Disney af. De Grimms en Disney legden haar verhaal als onveranderlijk vast. En zo bepaalden een stiefmoeder, een toverspiegel, een jager, een heigh-ho heigh-ho dwerg of zeven, een giftige appel en oef! gelukkig ook een knappe prins ons literair geheugen. Onderweg verloren we helaas de essentie van het sprookje. Voorheen werden deze volksverhalen immers aan (jong)volwassenen verteld – vaak als initiatieverhaal, en werden ze voortdurend bewerkt. Ze waren gruwelijk, ruw, onbeschaamd en duidelijk seksueel getint. Sprookjes als suikerzoete toverglans voor kinderen? Geen sprake van!

Dus, komaan Sneeuwwit! Laat die bezem staan, gooi je haren los en laat eens zien wat voor vuur in jou brandt. Yalla!

 

In beeld is een aparte rubriek: omdat beelden verder reiken dan woorden, het onverwoordbare kunnen verwoorden. (omschrijving van illustratrice Sabien Clement)

Verhalenbundels

Herfst… dat is: de najaarszon die als een caleidoscoop met de herfsttinten speelt. De geur van mos, natte bladeren en paddestoelen in het bos. De koude handen warmen aan een mok heerlijk dampende pompoensoep. Een tapijt van knisperende bladeren onder de voeten. Bomen, planten en dieren die zich klaar maken voor de winter.

DSC_0331

Herfst, dat is ook: lezen… Want volgens dichter en woordkunstenaar Geert De Kockere liggen de verhalen voor het rapen:

Herfst

Herfst,

dat is als een boek

op de grond.

Je kunt erin bladeren

en leest verhalen

die het bos

boom voor boom

voor je verzint.

En het maakt niet eens uit

waar je begint…