Blauw goud

Ik was altijd een langslaper. Het gouden randje van de ochtendstond deed me weinig. Ik draaide me liever nog eens om, en nog eens en ach ja waarom niet, nog eens. Maar kijk, een mens kan veranderen. Ondertussen vier ik het vroege ontwaken. Het huis is stil, ik ben alleen en ik kijk hoe de nacht zachtjes in de dag overgaat. Heel soms ben ik een bevoorrechte getuige van het blauwe uur, een kortstondig maar adembenemend natuurfenomeen net voor zonsopgang waarbij de lucht en de omgeving donkerblauw kleuren. Het voelt alsof de natuur mij woorden van een gracieus gedicht influistert.

Het blauwe uur is een uitnodiging om even helemaal niets te doen, niets te denken, niets te moeten. Het brengt een gevoel van vrijheid en geluk, datzelfde innige gevoel als op de eerste lentedag wanneer we de ramen opengooien om hoera! de lange winter uit te wuiven.

Van A naar B

Als kind had ik een Tante Nonneke. In feite was zij een groottante van mij en een tante van mijn vader. Natuurlijk had tante ook een eigen geboortenaam en een kloosternaam, maar bij mijn weten noemde iedereen in de familie haar Tant’Nunne. Naar verluidt was haar intrede in het klooster een oprechte roeping en hoopte ze vurig dat ze de hemel zou verdienen. Ik hoop dat het haar gelukt is. Van mij krijgt ze in elk geval een extra aflaat omdat ze mij naar de letter B van mijn persoonlijke literaire canon brengt.

Voor mijn eerste communie gaf Tant’Nunne mij een vrolijk en ietwat naïef geïllustreerde kinderbijbel cadeau. Beteuterd nam ik hem aan; dat was nu niet bepaald een leuk communiecadeau, vond ik. Mijn aanvankelijke teleurstelling bleek ongegrond want deze kinderbijbel was een schatkist vol fraaie verhalen waar ik niet genoeg kon van krijgen. Bjbelse verhalen hebben me altijd gefascineerd. Ik zie mij nog zo op de schoolbank in de lagere school zitten, één en al oor, en oprecht meelevend met de voor- en tegenspoed van Gods mensen. Ik voelde afschuw toen Jozef en Maria halsoverkop de kindermoorden van Bethlehem moesten ontvluchten, verwondering dat Jona drie dagen en drie nachten in de donkere buik van de walvis (of was het een reuzenvis?) kon overleven, en intens verdriet bij Judas’ lafhartige verraad. En ik kon de Galileeërs maar niet van de Galliërs onderscheiden.

Ja hoor, mijn kinderbijbel heb ik nog altijd.

De Bijbel is al sinds mensenheugenis een belangrijke inspiratiebron voor schilders, beeldhouwers, schrijvers en componisten. Zonder kennis van bijbelse referenties zouden we blind, doof en stom zijn bij ons luisterrijke cultureel erfgoed. Net daarom gaven wij deze verhalen bewust aan onze kinderen mee. Voor hen waren het in eerste instantie mooie en vaak spannende verhalen. Ik heb eigenlijk geen idee hoeveel hen werkelijk is bijgebleven.

De Bijbel is nog steeds het meest gelezen boek ter wereld. Ook in de kinder- en jeugdliteratuur verschijnen nog regelmatig nieuwe bewerkingen, vooral van populaire onderwerpen als het kerstverhaal en de ark van Noach. Er zijn ook nog kinderbijbels voorhanden. In de reeks Bijbelverhalen voor kleuters van Kathleen Amant worden bekende verhalen op een heel eenvoudige wijze en met duidelijke en kleurrijke illustraties gebracht. Voor oudere kinderen is er Bijbel: verhalen uit het Oude Testament met stemmige illustraties van Sassafras De Bruyn, waarin de bijbelverhalen op klassieke wijze worden verteld.

Hoe anders is de benadering van Philippe Lechermeier en Rébecca Dautremer in Een Bijbel, een vuistdikke, eigentijdse bewerking bestemd voor jongeren en volwassenen. Met een verbluffende literaire en artistieke veelzijdigheid creëren zij een uniek bijbels universum. Hun invalshoek kan zonder meer als bijzonder eigenzinnig beschouwd worden. In deze hervertelling speelt Lechermeier ingenieus met taal en inhoud door een waaier aan literaire vormen te gebruiken. Zo wordt het verhaal van Kaïn en Abel op rijm gezet en duiken Jozef en zijn broers op in een toneelstuk in drie bedrijven, regie-aanwijzingen inbegrepen. De uittocht uit Egypte en Mozes’ veertigjarige tocht door de woestijn worden dan weer door een kleine vlieg verteld, jawel. En naast gewone verhalen (nou ja, wat is in dit geval “gewoon”) is er onder meer ook een liefdeslied, een verhaal in dialoogvorm, een sappig marktverhaal, een sprookje en een soort Roelantslied. Literaire variatie troef dus, zonder ook maar een moment het wezen van deze verhalen te verloochenen. Lechermeiers hervertelling is doorleefd, gevoelig en diepmenselijk. Hoe mooi is het niet om de innige liefde tussen Jezus en Maria Magdalena te zien ontluiken of te lezen dat de overspelige vrouw meelevend “de vrouw die van een andere man houdt” wordt genoemd. En opmerkelijk, de engel Gabriël, boodschapper Gods, is hier een vogelman/mensvogel, een referentie naar de ultieme droom van de mens om te kunnen vliegen. De aanpak van Lechermeier is zo verfrissend en prikkelend dat ik enkel in superlatieven kan spreken. En dan heb ik het nog niet over de illustraties van Rébecca Dautremer gehad … (Dautremer ontmoetten we trouwens al eerder, in het gezelschap van de bekoorlijke Joodse weduwe Judith.)

Maar eerst dit: sta even stil bij het beeld dat jij over Adam en Eva, Mozes, Maria of Jezus hebt. Denk je daarbij aan een bepaald beeldhouwwerk, een schilderij of een prent van een Europese kunstenaar? Vast wel. En heb je hen ooit op een heel andere manier voorgesteld? Wellicht niet. Want deze krachtige beeltenissen zijn vaak al eeuwenlang in ons bewustzijn verankerd en lijken haast onwrikbaar. Ja, natuurlijk schilderde Michelangelo een gespierde en baardloze Christus in de Sixtijnse kapel, maar had hij veel navolging? Neen.

Wel, illustratrice Rébecca Dautremer gaat de uitdaging met deze diepverankerde conventies aan. Ze tovert en varieert met kleur, techniek, compositie en perspectief en komt tot een fascinerende, nieuwe bijbel-beeldtaal. Zo hebben Adam en Eva onmiskenbaar een Afrikaanse oorsprong – en dat is helemaal niet zo gek want liggen de wortels van onze verre voorouders niet in het huidige Ethiopië? Jezus zelf lijkt in niets op de man die traditioneel (in Europa) met een vlassig baardje, halflang sluik haar en Kaukasische gelaatstrekken wordt voorgesteld. De Exodus is dan weer een aangrijpende, koortsachtige vlucht van doodsbange mensen met kinderwagens, jengelende kinderen en opwaaiend stof. En schrikwekkende tronies stappen dreigend uit hun omlijsting om Jezus gevangen te nemen en over te leveren. Dat zijn maar enkele voorbeelden. Elk beeld is een subliem verstilde moment dat een heel verhaal vertelt. Dautremers beelden zijn groots en paginavullend of net klein en subtiel; ze zijn mysterieus, geraffineerd, ingetogen, vertederend, subtiel, sensueel, beklemmend, grimmig, indringend en overdonderend. En ze zijn nog veel meer dan dat. Hoe dan ook reiken woorden niet ver genoeg om deze esthetische parels te omschrijven. Dat is niet erg. Dit is vooral een boek om te ervaren.

Ik zou zeggen, oordeel vooral zelf tijdens jouw prinsheerlijk kuieren in deze kunstgalerij:

Dichterbij

Tijdens de inauguratie van Joe Biden tot 46e president van de Verenigde Staten ging alle aandacht naar een jonge zwarte vrouw die met veel bravoure haar poëzie declameerde. Het optreden van Amanda Gorman doet denken aan wat in kunsttermen spoken word (gesproken woord) wordt genoemd. Spoken word is voordrachtkunst waarbij de kwaliteit van de performance even belangrijk is als de woorden zelf. Het is niet zomaar een geschreven gedicht op doorleefde wijze brengen, zoals ‘klassieke’ dichters op poëziehappenings doen. Neen, bij spoken word zijn de woorden – of het nu poëzie, kortverhaal, speech, proza of een mengeling is – uitdrukkelijk bedoeld om uitgesproken te worden, om luid te weerklinken, om gehoord te worden. En of de wereld Amanda Gorman heeft gehoord!

Amanda Gorman, de inauguratiedichteres

Een bijzondere stijl binnen spoken word is poetry slam, ook slam poetry genoemd (letterlijk: poëzieslag). Toegegeven, er is geen strakke definitie van poetry slam en de scheidslijnen met andere vormen van spoken word zijn flou. Poetry slam ontstond meer dan drie decennia geleden in de Verenigde Staten als voordrachtwedstrijd om poëzie op interactieve wijze dichter bij het publiek te brengen. Het wedstrijdelement blijft belangrijk – zo is er een Belgisch, Europees en wereldkampioenschap poetry slam -, maar ondertussen is het tot een volwaardig medium binnen literatuur en podiumkunsten uitgegroeid. Er is een levendige poetry slam scene in Vlaanderen, die nog meer weerklank bij bredere literaire kringen, culturele instellingen en leerkrachten mag krijgen. Deze dichtkunst kan in het bijzonder jongeren aanspreken, want het is spelen met taal en een dynamische, expressieve en wervende manier om zich te uiten en uit te spreken. Poetry slam is dikwijls (maar niet noodzakelijk) persoonlijk en maatschappijkritisch. De performers zijn doorgaans ook jong; en intonatie, ritme en lichaamstaal doen aan de muziekstijlen rap en hiphop denken. Critici daarentegen vinden het lawaaierig en schreeuwerig. Ongetwijfeld zal dat weleens het geval zijn, maar ach, in alle kamers van de literatuur wonen wel wat schreeuwers en lawaaimakers, niet? Bovenal kan poetry slam vanuit maatschappelijk oogpunt als representatief en meerstemmig beschouwd worden, want populaire ‘slammers’ of ‘slam poets’ in Vlaanderen, bijvoorbeeld Carmien Michels, Hind Eljadid, Antwerps stadsdichter Seckou Ouologuem en Lizette Ma Neza, hebben uiteenlopende culturele achtergronden. Deze jonge woordkunstenaars vertegenwoordigen het diverse Vlaanderen van vandaag. Zij zijn als vensters, waardoor de ene toehoorder veel verder kan kijken en reiken dan de eigen wereld; en tegelijkertijd zijn zij ook als spiegels, waarin de andere luisteraar zichzelf kan herkennen. Of zoals Lizette Ma Neza, zelf van Rwandese afkomst, in haar ode aan Amanda Gorman zei:

En ik zag, ik zag

Wat jij ook zag

In het meisje met haar gele jas

Mezelf

Lizette Ma Neza brengt haar hele gedicht in deze video. Neem op deze Gedichtendag even de tijd om naar haar te luisteren.



In het kader van de Gedichtendag en Poëzieweek (28/1 – 3/2/2021)

Inderdaad, deze blogpost is gelardeerd met Engelse woorden. Niets aan te doen, dit zijn nu eenmaal de gebezigde termen.

1+1 gratis

De weergoden lijken het nog niet te beseffen, maar de winter is wel degelijk begonnen. Tijd voor een nieuw seizoenskaramelleke, ditmaal van Reine De Pelseneer, auteur van de gedichtenbundel Ahoy!.

Winternacht

Wat gebeurt er buiten

als iedereen slaapt (behalve ik)?

Houden monsters een feestje?

Spelen spoken de baas?

Of geeft niemand een kik?

Ik kijk minutenlang

met mijn neus tegen het glas

en begrijp dat stilte nooit stiller was.

Ik zie sneeuw op de daken en lichtjes

op straat. De maan hangt er

bol en glimlachend bij.

Mijn raam is de lijst

van een nachtschilderij.


En omdat deze woorden ook zo mooi klinken:

Winter

De sterren wintertintelen en de maan

doorschijnt de melkwegnacht.

Het kraakt van sneeuw op de aarde

waar ik ga,

een nieteling, een adem wit,

een ademdamp van liefde en poëzie.

(Ida Gerhardt)

Zwart-wit

Met de hand op het hart zeg ik jullie: in mijn kindertijd heb ik Zwarte Piet nóóít bewust als iemand met een zwarte huidskleur gezien. Zwarte Piet was zwart door het roet van de schoorsteen, tiens. Hij moest elke schoorsteen in- en uitklimmen om cadeautjes en lekkernijen te brengen, want Sinterklaas was veel te oud om dat zelf te doen. Hoe oud was hij wel niet, zeshonderd jaar of zo? Wij hebben deze traditie ook zo aan onze kinderen doorgegeven. Ik schudde dan ook lange tijd meewarig het hoofd over de vermeende racistische en koloniale ondertoon van Zwarte Piet. Men kan mij van veel verdenken vond ik, maar toch niet van racisme zeker!

Tegelijkertijd moest ik wel toegeven dat Zwarte Piet mij als kind enige angst inboezemde. Hoe hij daar stond, met zijn pikzwarte gezicht, felrode lippen en fonkelende witte tanden, en met die vreselijke jutezak voor stoute kinderen … Het contrast met de goedmoedige Sinterklaas was groot. Met de Sint in de buurt kon me weinig overkomen, want hij had het laatste woord en ik was braaf geweest – zeker in de weken voor 6 december. Kijk, het zijn net die onbewuste, vaak subtiele associaties tussen huidskleur (zwart) en gevoelens (gevaar/angst) waar activisten tegen Zwarte Piet op wijzen. Vergezocht? Mja, toch niet, als je bedenkt dat het grootste deel van ons gedrag door het onderbewuste wordt gestuurd. Bovendien weten wij met onze witte teint nauwelijks hoe het voelt om op negatieve wijze op onze huidskleur te worden aangesproken. Het is mij één keer overkomen, hier ver vandaan, en ik reageerde echt onthutst. En dan zijn er nog die andere vragen. Kan iemand echt zo zwart van het roet worden? En waarom werd Zwarte Piet al te vaak afgebeeld met stereotiep dikke lippen, gouden oorbellen en kroeshaar/krulhaar?

Ben ik nu voor of tegen Zwarte Piet? Vind ik het concept van Zwarte Piet nu racistisch of niet? Verwacht van mij geen stellingname in dit gevoelige en vaak emotionele debat. Mensen voelen zich in deze kwestie opvallend persoonlijk aangesproken, want het raakt rechtstreeks hun identiteit. Voorstanders voelen zich aangevallen omdat de magische verhalen die hen vormden nu als fout worden beschouwd. Tegenstanders daarentegen ervaren de beeldvorming en het gebrek aan empathie als kwetsend. Ik verkies om me niet uitsluitend bij de ene of de andere zijde te voegen, maar om te luisteren naar het genuanceerde en onderbouwde discours van literatuur-en cultuurwetenschappers.*
Laten we eerst even kijken hoe bevoegde instanties inzake racisme en discriminatie Zwarte Piet beoordelen. In 2014 stelde het Gelijkekansencentrum (thans UNIA) dat het gebruik van de figuren Sinterklaas en Zwarte Piet geen strafbare vorm van racisme en ook geen wettelijk verboden vorm van raciale discriminatie is. Andere instanties hanteren een bredere definitie van racisme, die meer op onbewuste en alledaagse vormen van uitsluiting steunt. In die zin zijn er wel degelijk negatieve stereotiepe aspecten aan Zwarte Piet.
En wat vertelt de geschiedenis ons? Wel, tussen de twee uitersten blijkt zoals zo vaak bijzonder veel nuance, dubbelzinnigheid en gelaagdheid te liggen. Sinterklaas en Zwarte Piet zijn complexe figuren met een ontstaansgeschiedenis die veel verder reikt dan de kolonisatie en waarover verschillende interpretaties en denkpistes bestaan. Ik geef hierbij enkel de grote lijnen. Het is zeker niet mijn bedoeling om hier een definitieve of sluitende analyse over Zwarte Piet te presenteren; dat zou veel meer studiewerk van de primaire bronnen vereisen. Laat deze blogpost een uitnodiging zijn om zelf even stil te staan bij jouw beeld van Zwarte Piet.

De heilige Nicolaas was al vroeg in heel Europa een belangrijke heilige. Toch wordt zijn naamdag in slechts een handvol Noord-Europese landen met een echte Sinterklaasfiguur gevierd, en dan nog met flink wat regionale verschillen. In Spanje en Italië bijvoorbeeld brengen respectievelijk de drie koningen en de heks Befana op 6 januari geschenken en lekkers. De (huidige) figuur van Sinterklaas is geïnspireerd op legenden die aan drie heilige Nicolazen worden toegeschreven. Het Sinterklaasfeest zelf zou tot de dertiende eeuw teruggaan. Het feest lijkt zoals bij Kerstmis belangrijke elementen uit de Germaanse cultuur, in het bijzonder de cultus van de god Wodan, overgenomen te hebben. Denk aan de rol van de haard als offerplaats (later de schoorsteen), een figuur die zowel bedreigend als beschermend is, een buitengewoon paard, de roede (bij de Germanen een positief symbool, gevuld met levenskracht) en misschien zelfs de roetzwarte begeleider.

Jan Steen, Het Sint Nicolaasfeest, 1655. Prachtig tafereel, niet? Herken je de referenties aan het Sinterklaasfeest?

De beeldvorming zoals wij die nu in onze contreien kennen, is sterk beïnvloed door de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman. In 1850 verschreef hij het populaire boek Sinterklaas en zijn knecht. Hij portretteerde Sinterklaas als een statige bisschop met tabberd, mijter, staf en lange witte baard; en hij had had voor het eerst een donkere knecht, die het zware werk verrichtte. Sinterklaas was bij Schenkman streng, want het was hij die twee stoute kinderen in de zak stak. Sinterklaas en zijn naamloze knecht kwamen met een stoomboot uit Spanje en liepen samen op hun paarden over de daken. Het kan nu vreemd klinken, maar Schenkman was destijds echt vernieuwend. Lange tijd was Sinterklaas immers in de eerste plaats een boeman die als afschrikwekkende, zwart gemaakte man met rammelende kettingen snoepgoed uitdeelde en kinderen bang maakte. Deze figuren werden ‘zwarte klazen’ genoemd. (Dit soort boeman is nog in Oostenrijk te vinden met Krampus als een gemaskerde, in vodden geklede figuur met een ketting.) Schenkman maakte de Sinterklaasfiguur bevattelijker en menselijker.
Waar haalde Schenkman zijn inspiratie voor de knecht die volgens zijn verzen ‘zwart van kleur’ is? Zag hij zo’n personage op een schilderij of een gravure, in het echt of kende hij het van horen zeggen? En in welke mate werd hij beïnvloed door de context van kolonisatie en slavernij? Wetenschappers kunnen dit niet met absolute zekerheid zeggen. Er wordt geopperd dat zijn knecht in feite een Moorse page is, en zijn schoeisel zou aantonen dat hij een vrij man en zeker geen slaaf was.

Een afbeelding uit de eerste editie van Schenkmans fraaie Sinterklaasboek uit 1850. Sinterklaas herkennen we nog, maar kijk eens hoe de knecht is veranderd.

In de loop van de tijd veranderde de rol en het uiterlijk van Zwarte Piet regelmatig, onder meer door bepaalde bewuste en onbewuste maatschappelijke opvattingen en de verbeelding in populaire Sintverhalen en bijhorend illustraties. Zo nam hij de rol van kinderschrik over van de Sint en kreeg hij eind 19de eeuw een eigen naam. Ook deze naam heeft eeuwenoude wortels, want in Vlaanderen was het een van de vele namen voor de duivel. De stereotypering van Zwarte Piet als domme knecht met een pikzwart gezicht, grote rode lippen en krulhaar dook in Nederland veel vroeger op dan in Vlaanderen. Vanaf de jaren dertig blijkt dit uiterlijk overal de courante typering, ook al bleef het schoorsteenverhaal aanwezig. Onderschat de invloed van verhalen en vertellingen op de beeldvorming zeker niet. Kijk maar naar wat gebeurde op het einde van de twintigste eeuw: onder invloed van het druk bekeken en heerlijke tv-programma Dag Sinterklaas werd Zwarte Piet definitief de lieve en pientere vriend, en dus niet langer louter de knecht, van de verstrooide, oude Sinterklaas.

Het moge dus al lang duidelijk zijn dat Sinterklaas en Zwarte Piet geen statische figuren zijn, en dat er niet een ononderbroken traditie is. Het Sinterklaasfeest en de hoofdrolspelers hebben al eeuwen met evoluties, nieuwe accenten en veranderende beeldtaal te maken, soms snel, soms traag. Misschien zal ook Sinterklaas binnen afzienbare tijd opnieuw evolueren. En wat te zeggen van Roet(veeg)piet, want wie zal in tijden van groene en schone energie nog een vervuilende schoorsteen met roet aanvaarden? Hoe dan ook, elk element in deze geschiedenis is belangrijk. Een volledige en eerlijke lezing van het wetenschappelijk onderzoek, ver weg van de selectieve of tendentieuze analyses die al te vaak op het internet circuleren, kan een startpunt zijn om de principiële ja-neevraag over Zwarte Piet te overstijgen.

Godzijdank verloopt het debat hier in Vlaanderen niet zo intens als in Nederland. (In Franstalig België leeft de kwestie zelfs amper.) Daar vroeg illustratrice Charlotte Dematons in 2017 zelf aan haar uitgeverij om haar immens populaire boek Sinterklaas (bijna 150 000 exemplaren) niet meer te herdrukken. De steeds fellere polemiek rond Zwarte Piet werd haar te veel; te vaak werd ze voor racist uitgescholden. Het is nochtans een heerlijk kijk- en zoekboek; teder, hartverwarmend en respectvol gemaakt, maar ja, met wel heel zwarte Pieten. Ook in Vlaanderen is er geen weg terug. Al in 2017 besloten enkele TV-zenders, onderwijskoepels en speelgoedwinkels om Pieten met zwarte huidskleur te bannen. Ook Vlaamse uitgeverijen en boekenwinkels volgen deze weg. Boeken met (enkel) Zwarte Piet worden niet meer of sterk afgeprijsd verkocht. En wat zullen bibliotheken doen?

De taak van Zwarte Piet zit erop. Zijn afscheid zal voor nieuwe verhalen, versjes en liedjes zorgen. Want hoe mooi zijn al die verhalen wel niet? En hoe vertederend is het niet om kinderen vol verwachting te horen zingen? De klassieker van Charlotte Dematons uit 2007 lijkt, officieel dan toch, verleden tijd. Dat is best vreemd, hoor. Maar kijk, een nieuwe klassieker biedt zich al aan. In Sinterklaasliedjes lijkt illustrator Mark Janssen het feest aan de kinderen terug te geven. Zij spelen de hoofdrol, want zij brengen de zak vol pakjes naar Sinterklaas, in decors die naar bekende Sinterklaasliedjes verwijzen. Het is een prachtig en hartverwarmend prentenboek. Wij smelten ook helemaal voor Zie de maan schijnt door de bomen van Mies van Hout, waarin enkele dieren de komst van Sinterklaas beleven. De verrukking en vreugde van het vosje bij de aankomst van de Sint is voor ons pure ontroering. Dit is voor ons een van de mooiste en gevoeligste illustraties ooit, echt waar. Ik kan alleen maar hopen dat deze parel op 6 december in élk, maar dan ook werkelijk élk schoentje ligt.

Okee, wij smelten opnieuw… (c) Mies van Hout

* Zoals: Van Nicolaas van Murat tot Sinterklaas, Rita Ghesquiere en Het geheime boek van Sinterklaas, Floortje Zwightman en Sassafras De Bruyn (ill.), een boeiend geschiedenis boek voor onttoverde kinderen.

Zinnen van zijde #3

De esdoornbladeren voor het ziekenhuis gloeiden rood en goud. Ik stond voor het raam en keek naar buiten. En ik dacht: wat is het toch vreemd dat blaadjes op hun mooist zijn vlak voordat ze van de bomen vallen.

…. Schoon, hé.

Deze poëtische reflectie komt uit De weglopers, het laatste boek van de Zweedse auteur Ulf Stark (1944-2017), die we ook kennen van Liefde is niet voor lafaards. De weglopers is een van de acht boeken die kinderen uit het derde en vierde leerjaar dit jaar voor de Kinder- en Jeugdjury (KJV) zullen lezen. De KJV is een Vlaamse boekenjury waarbij kinderen tussen vier en zestien jaar zélf hun stem kunnen laten horen. De lezers (vorig jaar zo’n 11 000) mogen zelf kiezen welk boek hen het meest kon bekoren. Dat is uniek, want zijn het niet vaak volwassenen die bepalen wat een goed kinderboek is?

Een mooie oogst dit jaar

Ik weet niet of De weglopers hun favoriet zal zijn, misschien zelfs helemaal niet. Dat geeft niet. Want hoe mooi is het niet dat zo’n 1500 acht- tot tienjarigen dit fragment zullen lezen. En wie weet zullen ze zich ooit deze zijden zinnen herinneren terwijl de kleurrijke herfstbladeren onder hun voeten knisperen.

Van A tot Z

Eind juni werd de tweede versie van de literaire canon voorgesteld. Onmiddellijk werd het kransje van 50 (+1) sleutelwerken uit de Nederlandstalige literatuur onderwerp van een stevige discussie. Dat kinder- en jeugdliteratuur nadrukkelijk uit deze lijst wordt geweerd, is opvallend en eveneens voer voor publiek debat, me dunkt. Nu goed, het zette me wel aan het denken. Waarom stelde ik niet zelf een literaire canon met onmisbare kinder- en jeugdboeken samen?* Et voilà, hier is onze persoonlijke canon in 26 haltes, voor elke letter een lofzang op een boek dat voor ons bijzonder waardevol is, een snaar bij ons raakt en mooie herinneringen met zich meedraagt.

De letter A doet ons reizen en zwerven, dichtbij en verder weg. Hoe vaak waren wij niet met Atlas van het Poolse echtpaar Aleksandra Mizielińska en Daniel Mizieliński onderweg? ‘Waar gaan we deze keer heen?’ vroegen de kinderen zich opgewonden af want ze stonden te popelen om te vertrekken. En dus lieten we de atlas op een willekeurige bladzijde openvallen en een onze reis rond de wereld kon beginnen. (Tiens, achteraf beschouwd viel de atlas wel héél regelmatig open op Australië, destijds het Beloofde Land voor ons koalavriendinnetje thuis.) Wat wij allemaal beleefd en gezien hebben! Egypte, Namibië, Ghana, Mongolië, India, China, Canada, Peru, Mexico, Madagascar, Polen, Roemenië, IJsland … noem maar op. Geloof me, met dit bijzondere kijk- en leerboek hebben wij samen de hele wereld gezien.

Bij elke doortocht doen we nieuwe ontdekkingen. Een verrassende atlas vol geïllustreerde weetjes over planten, dieren, cultuur, geschiedenis, gastronomie en kledij. Zelfs de populairste jongens- en meisjesnamen worden vermeld.

Dikwijls namen de kinderen de atlas spontaan uit de boekenkast om in hun eentje de expeditie verder te zetten. Ik zie nog zo voor me hoe ze zich in gewijde stilte over het boek bogen, met hun vingers zachtjes over de woorden en illustraties gleden en heel geconcentreerd alle details in zich opnamen als waren het geheime tekens van een wonderlijke schat. Ik meen zelfs dat ik hun hart sneller hoorde kloppen. En ik vraag me af welke dromen en verlangens tijdens deze zeer rijke uren in hen ontloken.

Wat betekent de letter A voor jullie?

* Ik denk ook aan een persoonlijke canon voor volwassenliteratuur.

Herfst!

Nazomer of herfst?

We hebben land op zee gewonnen. We hebben de loop van rivieren verlegd. We hebben bergtoppen bedwongen. Toch blijven we nietige mensen in het grotere geheel. Tegen de kracht van de natuur vermogen we soms helemaal niets. Dit streepje poëzie maakt het nog eens duidelijk. Misschien niet het beste herfstgedicht, maar wel een mooi beeld:

Straatveger

Een ongelijke strijd: één

man gewapend met één bezem

tegen miljoenen bladeren.

Op de hoek wacht de roestige kar,

in het portiek loert de wind.

O, een straatveger in de herfst!

De bomen lachen zich krom.

(Bas Rompa)

In de biechtstoel

Goed, ik beken: lange tijd heb ik nauwelijks iets van het kruim van Vlaamse schrijvers uit de late 19de en de (ruime) eerste helft van de 20ste eeuw gelezen. Louis Paul Boon, Cyriel Buysse, Willem Elsschot, Stijn Streuvels, Gerald Walschap … Ik liep met een wijde boog om deze auteurs heen. Meer zelfs, ik keek neerbuigend op hen neer, want hun beider voeten stonden stevig in de Vlaamsche klei en dat kon onmogelijk goed werk opleveren. Een hovaardige en bespottelijke attitude, ik weet het. En dat ik tijdens mijn jeugd iets te vaak op 11 juli de film Het gezin van Paemel heb gezien, het toneelstuk van Buysse over het Vlaamse boerenleven in de 19de eeuw, was ook geen aanmoediging. Nee nee, tussen deze Vlaamse schrijvers en mij zou het nooit iets worden.

Ik was dan ook behoorlijk verrast toen ik enkele maanden geleden voor mijn verjaardag In betere kringen van Cyriel Buysse (1859-1932) cadeau kreeg. Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat ik ook lichte ontgoocheling voelde want ik had een heel ander boek verwacht. Toch begon ik uit hoffelijkheid in Buysses bundel van satirische kortverhalen te bladeren. En ja … algauw moest ik erkennen dat Buysse mja misschien toch niet zo waardeloos was. In betere kringen las ik in één beweging uit en daarna haalde ik hongerig zijn ‘t Bolleken uit onze boekenkast. Cyriel Buysse blijkt een meeslepende verteller die mij in meerdere opzichten behoorlijk verraste. (Ik las nog maar twee boeken uit zijn omvangrijke oeuvre dus vraagteken beoordeling zekere verdere verfijning.)

Zijn stijl en taal, gelardeerd met het sappige Oost- Vlaamse dialect van de gewone mensen, voelen vlot, ongekunsteld en toch verfijnd aan. De signatuur van een eigentijdse auteur zou men denken, ware het niet dat zijn werk vaak ruim een eeuw oud is en hij over een oude verdwenen wereld schrijft. Zijn verhalen lezen als sfeervolle historische documenten over de wereld van gisteren. Over de sociale verhoudingen (en taboes) bijvoorbeeld die tot in de eeuwigheid vast leken te liggen en algemeen aanvaard werden. Of over de kiesstrijd op het platteland waarbij potentiële kiezers met eten en drinken werden verleid. Twijfelaars die hun keuze geheim wisten te houden, namen gretig bonnetjes van beide kanten aan en hadden dus recht op twee maaltijden en tien glazen bier.* De drank, ja die vloeide steeds rijkelijk. En wanneer na het glas of de borrel te veel de maskers vallen, worden de tronies lelijk en gemeen door achterklap en geroddel. Want Buysse weet de kleinmenselijke aard met al zijn gebreken, zwakheden en onhebbelijkheden voortreffelijk en vol gevoel te portretteren – vaak met een mild ironische ondertoon (maar zeker geen spot). Hij getuigt van groot psychologisch inzicht, zoals in de beschrijving van de minder gegoede oude meneer met rood gezicht en zijn corpulente, aldoor kortademige vrouw die in het familiepension afkeurend en tegelijkertijd afgunstig reageren op een knap jong meisje dat met een jongeman uit het nabijgelegen luxehotel aanpapt.*

Op stap met Cyriel Buysse in een verdwenen wereld.

Wat mij het meeste trof, was de eenzaamheid die de hoofdpersonages met zich meedragen. Hun onvermogen tot oprechte en innige relaties is opvallend. Liefdesrelaties tussen verschillende sociale klassen kunnen en mogen niet beleefd worden – Buysse heeft dit zelf ook ervaren. Want dat “azen ne rijke jongen en mee zulk ‘n educoassie” uit liefde met de beeldschone dochter van de herbergier huwt, “mee azeu iene” – nee, dat konden en wilden de mensen niet geloven, dat was ongehoord en ongezien. Het koppel wordt dan ook geminacht.* Het salonleven in de betere kringen oogt ijdel en afstompend. En de drank, die maakt veel kapot: dromen, carrières, relaties, levens.

Dus ja, ik was onder de indruk van Cyriel Buysse. Worden onze Vlaamse klassieke schrijvers nog gelezen? Ik mag hopen van wel. Zeg dat deze bekeerlinge het gezegd heeft.

* uit ‘t Bolleken, 1906.

*Uit: Pension de famille, 1929

* uit ‘t Bolleken, 1906