Ontwaken

Het is een jaarlijkse traditie – en we zijn vast niet alleen: vanaf eind februari gaan we dagelijks na – soms zelfs meerdere keren per dag – of de paasbloemen in onze tuin al een stipje geel laten zien, want als herauten van de lente kondigen zij de wissel der seizoenen aan. Linda Vogelesang (wat een mooie familienaam!) beschrijft in dit gedicht het heerlijke moment van ontknoppen:


Zee van zon

Net als je denkt:

wanneer neemt de winter eens de benen?

breekt de grauwe aarde open

en tasten groene puntjes hoop

naar de ijzige grijze grijze lucht.

Met hun knoppen als zaklampen

schijnen ze eerst nog onderzoekend rond

alsof ze zeker willen weten

dat het hun tijd al is.

Dan barsten ze open.

Zie ze stralen!

Hun zee van zon

kondigt een nieuwe lente aan.

Linda Vogelesang

Te midden van ruïnes

Wat vermag poëzie wanneer steden in de as smeulen en levens in puin liggen?

Over de relatie tussen poëzie (en bij uitbreiding alle vormen van cultuur) en de wereld heeft al menig kunstenaar en filosoof gereflecteerd, in het bijzonder na Auschwitz. Auschwitz is in deze beschouwingen symbool voor de gruwel die mensen, volkeren, naties elkaar (kunnen) aandoen. De plaatsnamen mogen doorheen de tijd dan wel veranderen – Auschwitz, Sabra en Shatila, Rwanda, Sarajevo, Grozny, Aleppo, Saada, Charkiv, Marioepol … -, de aanblik van pijn en lijden blijft even schrijnend. Wat kan/mag poëzie in duistere tijden betekenen?
De Duitse filosoof en cultuurcriticus Theodor Adorno (1906-1969) vuurde het debat aan met de befaamde woorden:

’Na Auschwitz een gedicht schrijven, is barbaars.’

Deze boude uitspraak is een eigen leven gaan leiden en werd vaak al dan niet moedwillig geïnterpreteerd als een verbod op elke vorm van dichterlijk spreken. Zo heeft Adorno het niet bedoeld. De zin past in een veel bredere kritische redenering over de positie van kunst en cultuur na de gruwel. Voor Adorno vormde Auschwitz ontegenzeglijk een cesuur. Poëzie, kunst en filosofie moesten voor hem een radicaal andere betekenis en functie aannemen; ze konden zich niet meer zoals voorheen presenteren alsof er niks onoverkomelijk was gebeurd. Cultuur was immers bezoedeld en niet meer onschuldig daar Auschwitz mogelijk was gebleken ondanks het bestaan van verheven kunst en cultuur. Bach en Beethoven konden de Holocaust niet verhinderen.

Adorno’s scherpe cultuurkritiek kreeg veel tegenwind, in het bijzonder door mensen die zijn doorwrochte werk niet (grondig) gelezen hadden. Hij zette dichters wel aan om hun eigen visie op kunst en cultuur aan te scherpen en hun overpeinzingen in dichtvorm om te zetten. Ik denk hierbij aan Herman de Coninck (1944-1997) die het existentiële vraagstuk heel treffend in een titelloos gedicht verwoordde. (Dit is een fragment.)

Of er na Auschwitz nog poëzie kon zijn,

vroeg o.a. Ingeborg Bachmann zich destijds af.

Zelf denk ik: kon er na Auschwitz nog wel proza zijn,

politiek, cafépraat, discussie, sport, lente?

Ja, zoveel mogelijk. Hoe dat dan moest?

Net zoals voor Auschwitz. Want niet poëzie

heeft schuld, maar te weinig poëzie.

In een vroeg gedicht vraagt Czeslaw Milosz zich af:

‘Wat betekent poëzie, tenzij ze naties of volkeren

redt?’ Ook voor hem moet poëzie anders, maar

in plaats van ongewoner, zoals bij Bachmann, gewoner.

In moedertaal moet ze moedervragen stellen.

Of de Poolse dichter Adam Zagajewski (Lwów/Lviv, 1945 – Krakau, 2021) zich over Adorno heeft uitgesproken weet ik niet, maar een duidelijke visie over de betekenis van poëzie had hij zeker. In zijn verzen overdacht hij onder meer hoeen waar we schoonheid kunnen vinden in een verwonde en verwoeste wereld. Dit zoeken raakte wezenlijk zijn eigen leven, als een echo van zijn jeugd in het getraumatiseerde naoorlogse Polen. Zijn gedicht ‘Probeer de verminkte wereld te bezingen’ (uit 2000) is – zeker buiten Polen – bij het grote publiek zijn bekendste gedicht. Zagajewski beschouwde het als zijn poëtisch manifest. Na 9/11 verscheen het paginagroot in The New Yorker als een balsem voor de ziel. Het zou me niet verbazen dat het bij de recentste wereldbrand opnieuw wordt geciteerd.

Probeer de verminkte wereld te bezingen

Probeer de verminkte wereld te bezingen.

Denk weer aan de lange junidagen,

aan de rozijnen, de druppels van rosé.

Aan de distels die de verlaten erven

van ontheemden stelselmatig overwoekerden.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien:

een ervan had een lange reis voor de boeg,

een ander wachtte slechts het zoute niets.

Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen,

beulen gehoord die een lied van vreugde zongen.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Denk aan de momenten waarop jullie samen

in de witte kamer waren en de vitrage bewoog.

Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.

In de herfst verzamelde je eikels in het park

en de bladeren wervelden boven de littekens

van de aarde. Bezing de verminkte wereld

en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,

en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt

en steeds terugkomt.

Natuurbeeld


Ik kijk naar het water – en of het stil is II

Ik kijk naar het water – en of het stil is

of zwart, en rimpelt of glinstert, het doet maar

ik denk: zo is het, dit is hoe het moet

er drijven eenden tegen het riet, die eenden

daar, in het riet, er staan wat wilgen en elzen

die daar, in de bocht van de rivier

alles heeft zijn eigen moment, zijn eigen plek

er waren oneindig veel mogelijkheden om

een landschap met een rivier te zijn

er is gekozen voor deze ene en deze is goed

(Rutger Kopland)

Poëzieweek van 27 januari tot en met 2 februari met als thema ´Natuur´

Herfstfestijn

Op de rivier

stapt de zon in een kano.

Bij zoveel licht

knijpt de dag zijn ogen dicht.

Achter de bomen

wacht de rosse avond.

Straks spreidt hij zijn armen,

knipt tussen twee droge vingers

het donker aan.

Het donker dat zonder dralen

en met één grote hap

alle kleuren opeet.

(Gil vander Heyden)

Zomerdollen

Daar is de zon (of niet)! Daar is de zomer! En dan mag een seizoenskaramelleke natuurlijk niet ontbreken.

Blootsvoets

In de zomer keert het huis

binnenstebuiten. Het zand

kruipt tussen onze lakens en

de lakens tussen de struiken.

We slapen in tenten die naar

winter ruiken en de stortbui

duurt, maar bang worden we

nooit. We hebben papa die

ons over zijn schouder gooit.

Ons bed wordt korter dan

de rest. De dagen worden

ouder. We lopen blootsvoets.

Zonder schoenen zien we

niet dat onze voeten groeien.


(Bart Moeyaert)

Blauw goud

Ik was altijd een langslaper. Het gouden randje van de ochtendstond deed me weinig. Ik draaide me liever nog eens om, en nog eens en ach ja waarom niet, nog eens. Maar kijk, een mens kan veranderen. Ondertussen vier ik het vroege ontwaken. Het huis is stil, ik ben alleen en ik kijk hoe de nacht zachtjes in de dag overgaat. Heel soms ben ik een bevoorrechte getuige van het blauwe uur, een kortstondig maar adembenemend natuurfenomeen net voor zonsopgang waarbij de lucht en de omgeving donkerblauw kleuren. Het voelt alsof de natuur mij woorden van een gracieus gedicht influistert.

Het blauwe uur is een uitnodiging om even helemaal niets te doen, niets te denken, niets te moeten. Het brengt een gevoel van vrijheid en geluk, datzelfde innige gevoel als op de eerste lentedag wanneer we de ramen opengooien om hoera! de lange winter uit te wuiven.

Dichterbij

Tijdens de inauguratie van Joe Biden tot 46e president van de Verenigde Staten ging alle aandacht naar een jonge zwarte vrouw die met veel bravoure haar poëzie declameerde. Het optreden van Amanda Gorman doet denken aan wat in kunsttermen spoken word (gesproken woord) wordt genoemd. Spoken word is voordrachtkunst waarbij de kwaliteit van de performance even belangrijk is als de woorden zelf. Het is niet zomaar een geschreven gedicht op doorleefde wijze brengen, zoals ‘klassieke’ dichters op poëziehappenings doen. Neen, bij spoken word zijn de woorden – of het nu poëzie, kortverhaal, speech, proza of een mengeling is – uitdrukkelijk bedoeld om uitgesproken te worden, om luid te weerklinken, om gehoord te worden. En of de wereld Amanda Gorman heeft gehoord!

Amanda Gorman, de inauguratiedichteres

Een bijzondere stijl binnen spoken word is poetry slam, ook slam poetry genoemd (letterlijk: poëzieslag). Toegegeven, er is geen strakke definitie van poetry slam en de scheidslijnen met andere vormen van spoken word zijn flou. Poetry slam ontstond meer dan drie decennia geleden in de Verenigde Staten als voordrachtwedstrijd om poëzie op interactieve wijze dichter bij het publiek te brengen. Het wedstrijdelement blijft belangrijk – zo is er een Belgisch, Europees en wereldkampioenschap poetry slam -, maar ondertussen is het tot een volwaardig medium binnen literatuur en podiumkunsten uitgegroeid. Er is een levendige poetry slam scene in Vlaanderen, die nog meer weerklank bij bredere literaire kringen, culturele instellingen en leerkrachten mag krijgen. Deze dichtkunst kan in het bijzonder jongeren aanspreken, want het is spelen met taal en een dynamische, expressieve en wervende manier om zich te uiten en uit te spreken. Poetry slam is dikwijls (maar niet noodzakelijk) persoonlijk en maatschappijkritisch. De performers zijn doorgaans ook jong; en intonatie, ritme en lichaamstaal doen aan de muziekstijlen rap en hiphop denken. Critici daarentegen vinden het lawaaierig en schreeuwerig. Ongetwijfeld zal dat weleens het geval zijn, maar ach, in alle kamers van de literatuur wonen wel wat schreeuwers en lawaaimakers, niet? Bovenal kan poetry slam vanuit maatschappelijk oogpunt als representatief en meerstemmig beschouwd worden, want populaire ‘slammers’ of ‘slam poets’ in Vlaanderen, bijvoorbeeld Carmien Michels, Hind Eljadid, Antwerps stadsdichter Seckou Ouologuem en Lizette Ma Neza, hebben uiteenlopende culturele achtergronden. Deze jonge woordkunstenaars vertegenwoordigen het diverse Vlaanderen van vandaag. Zij zijn als vensters, waardoor de ene toehoorder veel verder kan kijken en reiken dan de eigen wereld; en tegelijkertijd zijn zij ook als spiegels, waarin de andere luisteraar zichzelf kan herkennen. Of zoals Lizette Ma Neza, zelf van Rwandese afkomst, in haar ode aan Amanda Gorman zei:

En ik zag, ik zag

Wat jij ook zag

In het meisje met haar gele jas

Mezelf

Lizette Ma Neza brengt haar hele gedicht in deze video. Neem op deze Gedichtendag even de tijd om naar haar te luisteren.



In het kader van de Gedichtendag en Poëzieweek (28/1 – 3/2/2021)

Inderdaad, deze blogpost is gelardeerd met Engelse woorden. Niets aan te doen, dit zijn nu eenmaal de gebezigde termen.

1+1 gratis

De weergoden lijken het nog niet te beseffen, maar de winter is wel degelijk begonnen. Tijd voor een nieuw seizoenskaramelleke, ditmaal van Reine De Pelseneer, auteur van de gedichtenbundel Ahoy!.

Winternacht

Wat gebeurt er buiten

als iedereen slaapt (behalve ik)?

Houden monsters een feestje?

Spelen spoken de baas?

Of geeft niemand een kik?

Ik kijk minutenlang

met mijn neus tegen het glas

en begrijp dat stilte nooit stiller was.

Ik zie sneeuw op de daken en lichtjes

op straat. De maan hangt er

bol en glimlachend bij.

Mijn raam is de lijst

van een nachtschilderij.


En omdat deze woorden ook zo mooi klinken:

Winter

De sterren wintertintelen en de maan

doorschijnt de melkwegnacht.

Het kraakt van sneeuw op de aarde

waar ik ga,

een nieteling, een adem wit,

een ademdamp van liefde en poëzie.

(Ida Gerhardt)

Herfst!

Nazomer of herfst?

We hebben land op zee gewonnen. We hebben de loop van rivieren verlegd. We hebben bergtoppen bedwongen. Toch blijven we nietige mensen in het grotere geheel. Tegen de kracht van de natuur vermogen we soms helemaal niets. Dit streepje poëzie maakt het nog eens duidelijk. Misschien niet het beste herfstgedicht, maar wel een mooi beeld:

Straatveger

Een ongelijke strijd: één

man gewapend met één bezem

tegen miljoenen bladeren.

Op de hoek wacht de roestige kar,

in het portiek loert de wind.

O, een straatveger in de herfst!

De bomen lachen zich krom.

(Bas Rompa)