Verhalenbundels

Herfst… dat is: de najaarszon die als een caleidoscoop met de herfsttinten speelt. De geur van mos, natte bladeren en paddestoelen in het bos. De koude handen warmen aan een mok heerlijk dampende pompoensoep. Een tapijt van knisperende bladeren onder de voeten. Bomen, planten en dieren die zich klaar maken voor de winter.

DSC_0331

Herfst, dat is ook: lezen… Want volgens dichter en woordkunstenaar Geert De Kockere liggen de verhalen voor het rapen:

Herfst

Herfst,

dat is als een boek

op de grond.

Je kunt erin bladeren

en leest verhalen

die het bos

boom voor boom

voor je verzint.

En het maakt niet eens uit

waar je begint…

 

 

 

 

 

Caleidoscoop

Heb jij ook al dat bijzondere gevoel bij een boek ervaren? Geloof me: het is als een schitterende caleidoscoop. Kijk maar…

Er is opwinding, grote blijdschap en dankbaarheid wanneer je na een paar pagina’s beseft dat je een uitmuntend boek lezen mag. En een diep gevoel van welbehagen (mag ik het zelfs een vorm van wellust noemen?) wanneer originele, rake en fijnzinnige observaties zich voor jou ontvouwen. En ook een hevig verlangen dat grenst aan bezetenheid om op elk vrij moment verder te lezen. Wachten op iets of iemand blijkt dan ineens een royale zegening. Ja, het is als op een heerlijke roze wolk lezen; even helemaal weg van deze aardse wereld. Maar tegelijkertijd, ook al vermoed je ogenschijnlijk niets, dreigt het onafwendbare einde. Daar is de laatste zin, het laatste woord, het finale punt. Wat rest is de leemte, even niet meer weten wat en hoe. En de prangende vraag: komt deze buitengewone gemoedstoestand ooit nog terug?

Wel, dit exacte gevoel hadden mijn dochters en ik destijds tijdens het voorlezen van De Grote Vriendelijke Reus (GVR), de klassieker van Roald Dahl (1916 – 1990). Wij hadden ons als mensbaksels laten meevoeren naar Reuzenland, hadden akkiebakkie snoskommers gegeten en verrukkelekukkelijke fropskottels gedronken (en sorry voor onze flitspoppers), blijelijk om zijn fantastelijke husseltaal geschaterd en een vermetel plan bedacht om gemene reuzen als Bottenkraker, Schrokschranzer en Meisjesstamper te verschalken. En dat alles vonden we heerlijk! Was daar dan toch neeneenee! de onvermijdelijke ontknoping. Verhaal afgerond. Boek uit. Echt, we voelden ons verweesd, verlaten – als was een dierbare ons onverwacht ontvallen. Zo gehecht waren we aan de GVR.

gvr

De GVR: een vriend voor het leven (illustratie van Quentin Blake)

Een nieuw boek lezen? Nee, dat konden we niet onmiddellijk. Voelde te veel als verraad. Veel liever bleven we nog even op de schouders van de GVR zitten, mijmerend over onze magische avonden in zijn gezelschap.

 

Naar aanleiding van de geboortedag van Roald Dahl op 13 september.

Ons papieren museum*

Het moet een gek gezicht geweest zijn, daar in de imposante Bruegelzaal van het Kunsthistorisches Museum in Wenen: een vierjarig meisje met haar duimpje in de mond dat steeds hardnekkiger aan de arm van haar moeke trekt, dreinend dat ze nú haar ijsje wil – het ijsje dat we zoals de sappige wortel voor de nukkige ezel na het museumbezoek hadden beloofd. Drie schilderijen kon ik haar bede weerstaan tot ik uiteindelijk met veel hartzeer de grootste Bruegelverzameling ter wereld moest achterlaten. (Gelukkig kon ik op een later tijdstip alleen en in alle rust terug.)

Wel ja, het is natuurlijk veel gemakkelijker om zonder kinderen naar musea of expo’s te gaan. We kozen er echter bewust voor om onze dochters al van kleins af aan onder te dompelen in kunst en cultuur. Ook al ging een bezoek wel eens gepaard met verveelde gezichten en een hoop gemopper.

Ik was destijds bijzonder verheugd om eindelijk de kunsttempel in Wenen te kunnen betreden. Niets gaat boven kunstwerken in het echt zien. En zij hebben op hun beurt onze ogen en onze aandacht nodig om werkelijk te bestaan. (En ook onze oren om ons te verleiden en toe te fluisteren: zie ik je gauw terug?) Maar al die parels en verborgen schatten hier en daar en ginds, daar kunnen we helaas niet zo maar heen. Dus reizen we naar onze papieren musea.

Keuze genoeg, ook wat het aanbod kunstboeken voor kinderen betreft. Over Appel, Bruegel, Bosch, Kandinsky, Magritte, Mondriaan en Rembrandt zijn er (prenten)boeken, maar ook over onder meer Jawlensky, Matisse, Toorop en Schiele. Een groot deel ontstaat uit de intense samenwerking tussen Gemeentemuseum Den Haag en Uitgeverij Leopold die sinds 2010 bij grote tentoonstellingen ook kinderkunstboeken uitbrengen met een vrije interpretatie van kunstenaar, leven en werk. 23 zijn er al gepubliceerd. Drie – en- twintig! Op dit vlak blijven Vlaamse uitgeverijen en musea vér achter, helaas. En waar blijven de stapels  kinderkunstboeken in de Vlaamse en Brusselse museumshops? Wat een gemiste kans is dit toch. (in Kazerne Dossin in Mechelen bijvoorbeeld is steeds een mooie keuze aan kinder- en jeugdliteratuur over oorlog en migratie beschikbaar.)

DSC_0400

Een catalogus én een kinderkunstboek bij een grote tentoonstelling. Dat is de evidentie zelve in Gemeentemuseum Den Haag.

Hoe mooi, boeiend en prikkelend is het resultaat wanneer het boek het jeugdige publiek ernstig neemt, hen iets wil bij leren zonder de lat te laag te leggen. Hierbij moet ik echt Ted van Lieshout vermelden: auteur, illustrator, beeldend kunstenaar en rasverteller die ook verscheidene originele kunstboeken voor kinderen en jongeren op zijn naam heeft. Zo gidst hij ons in Stil leven met een persoonlijke selectie door de Westerse kunstgeschiedenis. Op aanstekelijke wijze doet hij de lezer kijken en nadenken. En hij is heerlijk eigenzinnig, ietwat tegendraads soms: “Omstreeks 1425 werd Masaccio de meesterschilder van Italië gevonden. Dat heb ik gelezen, want anders had ik het niet geloofd. Toen ik zijn Jezus aan het kruis voor het eerst zag, dacht ik dat er een kluns aan het werk was geweest. Hij schilderde een Jezus zonder hals!” Deze opmerking neemt hij uiteindelijk terug, hoor. Maar wie anders zou zoiets durven schrijven? Had elke jongere maar zo’n boeiende leerkracht kunstgeschiedenis!

Dé favoriet van mijn kinderen is evenwel  Thé Tjong – Khing die met Kunst met Taart en Bosch: het vreemde verhaal van Jeroen, zijn pet, zijn rugzak en de bal… twee woordeloze prentenboeken over kunst maakte.

DSC_0401

Zo herkenbaar en toch steeds uniek.

Hoe doet Thé Tjong – Khing het toch? Want ook deze boeken hebben het stramien van zijn andere beeldverhalen, namelijk een spannende, avontuurlijke achtervolging om iets terug te halen (bij voorkeur een taart) waarbij we steeds meer verhaallijnen ontdekken. Geen woorden in deze boeken maar des te meer verhalen. We herkennen dit alles van vroeger werk en toch weet hij ons steeds heerlijk te verrassen. De magie van de Nederlandse meester kan ik vast wel omstandig analyseren en toelichten. Maar weet je wat, laat je zelf eens door hem betoveren. En ben je 6, 46 of 86 jaar… wat maakt het uit? Thé Tjong – Khing was zelf 83 toen hij Bosch’ verhaal creëerde!

 

* Naar het boek Papieren Museum: De engel met twee neuzen van Ted van Lieshout

Zinnen van zijde*

Enigszins verrassend won ze dit jaar met Alles komt goed, altijd de Woutertje Pieterse Prijs*: Kathleen Vereecken. Enkele Nederlandse recensenten meenden dat de taal van het tienjarige hoofdpersonage ongeloofwaardig is. Het is niet de taal van een kind maar die van de volwassen literaire schrijfster, vinden ze. Zoals hier: “Ik voelde geen warmte, maar ik hoopte op de woorden die erbij pasten. Woorden die even geruststellend zouden zijn als de warmte van zijn hand.” Daar is zeker iets van aan. Al kan het boek vast ook gelezen worden als een persoonlijk relaas, later opgeschreven door iemand die door de ingrijpende gebeurtenissen vroeg wijs, ernstig en zelfbewust werd.

Eenzelfde opmerking geldt voor haar boek Zijdeman, over de ervaringen van een 15 – jarig meisje en haar vijf jaar jongere broer die na de verdwijning van hun vader – een zijdehandelaar- zelf zijderupsen willen kweken. Mooie taal, prachtig… bij momenten zelfs adembenemend…. Alleen, is dit de taal van een adolescent? Van een kind?

20190729_120046

Van het boek wordt de animatiefilm Silk Man gemaakt die eind 2021 in de zalen wordt verwacht.

Ach! Laten we eens níet naar onze analytische Mind luisteren maar gewoon van haar taal genieten. Langzaam, met gesloten ogen, als van een heerlijke ijspraline. Proef maar: “Het besef sijpelde maar langzaam door. Als druppels water door een dik zeil. Eerst aarzelend, niet meer dan een vraag die in ieders ogen te lezen stond, zonder dat iemand ze hardop durfde te stellen.” Heerlijk! En weet je, Zijdeman bevat een hele doos vol!

 

* De titel ontleende ik van de recensie van Hanneke de Jong op www.boekenbijlage.nl

* Prijs voor het beste oorspronkelijke Nederlandstalige kinder- en jeugdboek van het afgelopen jaar

De een en de ander

In de hoge eikenbomen waar onze eekhoorn zich zo thuis voelt, blijkt ook nog een ander dier te wonen: de processierups. Een leuke naam voor een dier, maar ‘t is geen gezellig beestje. Dat mocht mijn man na een middag werken in de tuin aan den lijve ondervinden – letterlijk. Terwijl hij de snoodaards vervloekte, stelde ik me het leven van zo’n processierups voor. Hoe die zich dwars door een appel, twee peren, drie pruimen, vier aardbeien, vijf sinaasappels, een stuk chocoladetaart, een ijsje, een zure bom, een plak kaas, een stuk salami, een lolly, een stuk kersenvlaai, een worstje, een cakeje, een stuk meloen en tot slot een groen blaadje heen eet. Om uiteindelijk een wonderschone vlinder te worden. Een levendige fantasie, zeg je? Wel, mijn beelden leende ik integraal van Rupsje Nooitgenoeg, de klassieker van Eric Carle (1929).

Wie kent Rupsje Nooitgenoeg niet? Generaties peuters en kleuters wereldwijd leerden thuis, op school of in de kinderopvang met deze schrokop tellen, de dagen van de week benoemen en fruit en lekkernijen herkennen. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Van een klassieker gesproken. (En het fijne is: in het Nederlands is zijn naam veel mooier dan in de oorspronkelijke titel: The very hungry caterpillar.)

DSC_0269

Badboekjes, knisperboekjes, klein formaat, reusachtige boeken of welke vorm dan ook: altijd op zoek naar eten, deze rups.

 

Onlangs werd Rupsje Nooitgenoeg vijftig jaar oud. Een rups van vijftig jaar….God verhoede dat onze processierups dat voorbeeld volgt!

 

De tuin van Eden

En daar is ie weer! Uit de hoge bomenrij duikt hij plotsklaps op, springt van tak naar tak, van boom naar boom, rent als een elegante koorddanser naar het hoogste puntje van een tak, houdt even halt, haast zich over de takken terug, duikelt langs de boomstam naar beneden, staat enkele tellen doodstil – zijn prachtige pluimstaart kaarsrecht, spiedt in het rond, snuffelt vervolgens ijverig over de grond tussen gras, onkruid en klimop, vindt een nootje, houdt het in zijn voorste pootjes als een kostbaar geschenk, snelt terug naar… verdwenen… ergens tussen de vele bomen en struiken. Heb ik al gezegd dat we een eekhoorn in onze tuin hebben?

Hoog in de appelboom brengt hij vanaf ‘s ochtends zijn melodieën, dan eens vrolijk, dan weer weemoedig of bitterzoet. Of we luisteren of niet, onverstoorbaar zingt hij verder, onze merel.

Hij laat zich maar zelden zien, hij die het verborgene verkiest. Maar hij is er wel, vast ergens in de buurt van het beekje achterin de tuin in een zelfgegraven holletje of onder een verdwaalde steen. Dat we onze pad toch maar niet met een kikker verwarren!

Onze tuin reikt ons voortdurend verhalen aan. We hoeven enkel te kijken en te luisteren. Een eekhoorn, een merel en een pad in een tuin: is dat voor een jeugdauteur geen bron van inspiratie? Wel, dat treft: auteur Hanna Kraan (1946-2011) en illustratrice Mies van Hout maakten een hartverwarmend drieluik over Krik, de opgewekte en nieuwsgierige eekhoorn, over Melle, de ijdele merel die voortdurend op liedjes broedt, en over Domper, de immer mopperende pad die – dat moet ik toch even meegeven- niet vóór 12 uur en niet nà 12 uur gestoord mag worden. In hun tuin met het grasveld, de vijver en het huis met de groene luiken valt altijd wel iets te beleven – oliebollen op oudjaar eten bijvoorbeeld, of de huisbewoners voor de gek houden, of rond de waslijn duikelen.

DSC_0266

Krik en zijn vrienden: een reeks voor alle seizoenen

Krik, De tuin van Krik en Domper, Krik en Melle zijn het soort verhalen die ik zelf zou willen schrijven: toegankelijk, ongekunsteld, vlot, eenvoudig. Bedrieglijk eenvoudig zou ik zeggen, want in een paar rake zinnen, met een paar speelse pentekeningen weten Hanna Kraan en Mies van Hout een unieke verhalenwereld op te roepen: “Krik lag languit op een tak. Het was warm, maar hier, in de schaduw van de bladeren, had hij daar geen last van. De blaadjes suizelden in de wind. De tuin rook naar bloemen en naar gras. Krik viel in slaap.” (uit: Krik) Kleuters en eerste lezers stappen de wonderlijke wereld van Krik wat graag binnen. Het zijn die heerlijke jaren waarin dieren die tekenen, raadseltjes vertellen of paaseieren snoepen doodgewoon zijn. (Fijne tijden, niet?)

En dan op een dag, in onze tuin met een eekhoorn, een merel en een pad lijken de verhalen van Krik en zijn vrienden ook hier tot leven te komen.  De tuin ervaar ik anders dan voorheen. Ze zijn er, ze houden ons in het oog – ik voel het, wat doen ze allemaal dat wij niet zien? En ik vraag me af: wat is het nu? Kijk ik in mijn tuin naar de eekhoorn? Of kijkt de eekhoorn in zijn tuin naar mij?

 

 

 

 

Zomerwende

Tijdens de lange warme zomerdagen brengen wij veel tijd door in ons besloten hofje, zoals we onze tuin graag omschrijven. Vanaf de eerste ochtendzon staat ons schuifraam wagenwijd open en lopen binnen en buiten, huis en tuin, in elkaar over. We omarmen deze dagen als onze zeer rijke uren.

Dagen die pas laat in de avondlijke schemering eindigen. Is dat niet de zomer?

Deze unieke zomerse sfeer geeft Reine De Pelseneer treffend weer in het seizoenskaramelleke Smultuin (uit haar kinderpoëziebundel Ahoy!). Een smultuin… wat stel jij je daarbij voor?

DSC_0222

Onze verlengde huiskamer.

 

Smultuin

We eten buiten, in de schaduw

van de grote parasol.

De avond ruikt nog warm,

de tafel staat propvol

met slaatjes en tomaatjes

en glazen glimmend sap.

We genieten met z’n allen

van elke slok en hap,

maar ik smikkel het meest,

want buiten smaakt echt alles 

ongelofelijk naar feest.