Onlangs bracht ik enige tijd door in de Ripetta, in een kroeg in een achterafsteegje in Rome. Ik ontmoette er Caravaggio met zijn onafscheidelijke hulp Cecco temidden van zijn drinkebroers. Ik was danig onder de indruk van zijn unieke werk, maar keek wel uit om hem niet te schofferen. Want Caravaggio, dat is de geniale schilder maar ook een temperamentvolle vechtersbaas met een stevig strafblad. In deze kroeg dook ook een zekere meneer Will Shaksbird op, een vreemde Engelse snuiter die toneelstukken schreef. Wat moest die hier?
Caravaggio meets Shakespeare. Dat is uiteraard historische fictie, van een ontmoeting laat staan band tussen beide was geen sprake. Het is wel een spannend uitgangspunt. Wat zouden deze twee grote meesters uit de prille 17de eeuw elkaar te vertellen hebben? Lost auteur Tomas Lieske mijn hoge verwachtingen in? Niet helemaal.
Wij van de Ripetta is onderhoudend, spannend en boeiend wat Caravaggio betreft (mijn god, wat een genie is Caravaggio toch!) maar het deel over Shakespeare is voor mij minder overtuigend. Feit of fictie? In dit geval verkies ik toch de feiten.
Tussen dinsdag 4 augustus 1942 en maandag 31 juli 1944 werden 25 490 Joden en 353 Roma en Sinti in 28 treintransporten vanuit de Dossinkazerne in Mechelen naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Slechts 1 251 van hen overleefden de nazi-kampen.
Over deze slachtoffers spreken we vaak in statistieken: 6 miljoen vermoorde Joden, bijna 26 000 gedeporteerden, 5% overlevenden. Maar achter elk cijfer klopt een hart, schuilt een mensenleven. Zoveel mensen, zoveel namen. Het is nauwelijks te bevatten. Wie herinnert deze mensen nog? Wie staat even stil bij hun leven? Het waren mensen zoals jij en ik. Alles werd hen afgenomen: hun plaats in de maatschappij, hun bezittingen, hun naam, hun geliefden, hun leven, een laatste rustplaats. Elk spoor van hun bestaan werd gewist. Omdat ze Joden, Roma en Sinti waren.
Elke naam telt In het museum Kazerne Dossin loopt sinds 4 oktober 2023 het unieke herdenkingsproject onder de veelzeggende banner Elke naam telt. Het museum zoekt 25 843 deelnemers om elk één naam van één gedeporteerde in te lezen. De toewijzing van de naam gebeurt op basis van een gemeenschappelijke voornaam, geboortedatum of leeftijd. Zo ontstaat een persoonlijke connectie tussen iemand van nu en een gedeporteerde van toen. Alle ingelezen namen zulle n weerklinken in het Memoriaal. Het Memoriaal bevindt zich in de Dossinkazerne, de plaats waar de Joden, Roma en Sinti verzameld, geregistreerd en uiteindelijk gedeporteerd werden. Dit project is dan ook veel meer dan het louter registreren van de 25 843 gedeporteerden. Het is een erkenning van hun mens-zijn, want op de plaats waar hun naam toen werd afgenomen, krijgen ze nu hun naam van ons terug.
Een fractie van de 25 843 namen.
We weten precies wie uit de Dossinkazerne is vertrokken, en wanneer. Dat is bijzonder. Voor elk transport werd in viervoud een gedetailleerde transportlijst opgesteld met de persoonlijke gegevens van elke gedeporteerde: naam, voornaam, geboortedatum, geboorteplaats en beroep.. Bij hun chaotische vertrek op 3-4 september ‘44 hadden de Duitsers niet de tijd om de archieven van de Dossinkazerne te vernietigen. Op dat moment verbleven nog zo’n 600 Joden in de kazerne, klaar voor deportatie. Een van hen kreeg de opdracht om alle archieven te vernietigen. Dat heeft hij gelukkig niet gedaan. Deze transportlijsten hebben ook een grote emotionele waarde. De meeste gedeporteerden werden immers onmiddellijk vergast in de gaskamers van Birkenau. Zij werden niet meer geregistreerd in de kampen van Auschwitz. De registratie in de Dossinkazerne was voor deze mensen dan ook de allerlaatste keer dat zij hun naam luidop konden uitspreken. Daarna werden ze definitief een transportnummer voor een specifiek transport, bijvoorbeeld nummer 890 van transport XVII.
De originele transportlijst van transport XVII met gedetailleerde gegevens van de gedeporteerden. Bron: beeldbank van Kazerne Dossin
890\VXII Transportnummer 890 van transport XVII, dat is Sigismund Apfelbaum. Ik heb deze naam ingelezen voor het project Elke naam telt. We delen dezelfde geboortedatum. Sigismund werd in Antwerpen geboren op 29 juni 1941. Samen met zijn mama Zseni, zesjarige zusje Augusta en vierjarige broertje Alexander werd hij op 31 oktober 1942 met transport XVII gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau. Bij aankomst werd hij met zijn zus, broer en moeder onmiddellijk vergast. Hij was toen een peutertje van amper 16 maanden.
Het portret van Zseni Herskovics, mama van Sigismund. Bron: beeldbank van Kazerne Dossin
Kleine Sigismund. Wie ben jij? Er is geen foto van jou. Misschien heb je wel de trekken van jouw mooie mama wiens portret we wel hebben. Je kon vast al stappen, misschien nog af en toe een beetje wankel. Ging je nieuwsgierig op verkenning, maar daarna altijd recht naar mama’s warme armen? Kon je ook al enkele woordjes brabbelen? Hoe werd jij gearresteerd? Wisten ze waar jij woonde, of werd je verklikt? Hoorde jij de beangstigende klop op de deur? Hoe moet het voor jou geweest zijn? Met vele tientallen anderen in een kleine derdeklaswagon* voor een slopende reis van 1200 kilometer en 3 lange dagen naar een onbekende eindbestemming. Er werd jullie niks verteld. Waren er toen al geruchten over vreselijke kampen in het oosten? Heb je iets kunnen zien uit het kleine raampje onderweg naar de dood? Dorpen, velden en bossen gleden aan jou voorbij. Zat je op mama’s schoot, dicht tegen haar aan, met jouw duimpje in de mond – want mama zou jou toch altijd beschermen? Heb je gehuild van vermoeidheid, van honger en dorst, van angst, en heeft mama jou kunnen troosten? Op het overvolle perron met uitgeputte kinderen, vrouwen, mannen en ouderen in het station in Auschwitz wachtte jouw doodvonnis: recht naar de gaskamer. Zat je op weg naar de dood op mama’s armen, of trippelde je tussen jouw broertje en zusje? Je zou een douche krijgen, zeiden ze, om te ontluizen. Daar ben je dan, een dreumes, helemaal naakt, tussen al die anderen, volwassenen, ook naakt. Waar blijft het verkwikkende water? En dan ineens komt het: geen water maar Zyklon B, een gif voor ongedierte. Binnen de 40 seconden was je bewusteloos, binnen de 2 minuten stopte jouw hartje met kloppen. Je moet doodsangsten gevoeld hebben, ook van iedereen rond jou. Heb je ooit kunnen bevatten wat er allemaal gebeurde? Sigismund.
Biij de opname las ik driemaal zijn naam in: Sigismund Apfelbaum, 1 jaar. Bij de derde keer stokte mijn stem, want lieve kleine Sigismund, hoe wreed hebben ze jou behandeld. Omdat je Joods was. Omdat je klein was. Omdat je voor hen niets waard was.
Temidden de velden van het rustige dorpje Wijtschate (Heuvelland) ligt Spanbroekmolen Cemetary. Het is de laatste rustplaats van 58 Britse soldaten die zoals zovele anderen sneuvelden tijdens de bloedige Mijnenslag van juni 1917. De kleine afgelegen begraafplaats is een van de vele verstilde getuigen van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek. Op Spanbroekmolen is het altijd ingetogen stil, vredig zelfs. Het is een verlaten plaats. Hier komt haast niemand. Nauwelijks een geluid of zucht te horen … alleen in de verte een enkele vogel – misschien is het wel een leeuwerik zoals in John McCrae befaamde oorlogsgedicht ‘In Flanders Fields’.
Op deze begraafplaats past enkel nederigheid. Zachtjes, met het hoofd gebogen wandel ik voorbij hun graven, neem hun naam en leeftijd in mij op en kan alleen maar verslagen zuchten bij zoveel menselijke waanzin. Hier rusten vaders, zonen, broers, echtgenoten, verloofdes. Een grafsteen voor iemand die kort daarvoor nog leefde, de ochtenddauw voelde, de zon in de nacht zag overgaan, de liefde kende*. Over het Kanaal werd tevergeefs op hun terugkeer gewacht. En allemaal zijn ze zo jong, zo verdomd jong. Oud genoeg om te vechten maar veel te jong om te sterven. Na mijn bezoek zal ik hun namen helaas weer vergeten. Het zijn er ook zoveel, kruis na kruis, rij na rij. In deze streek alleen al tien – en tienduizenden. Het zijn cijfers om van te duizelen. In de dood zijn ze allemaal gelijk, in de herdenking niet. Sommige zielen zijn alleen gekend door God.
Niet zo bij Valentine Joe Strudwick. In het herdenkingstoerisme is hij als een van de jongste gesneuvelde Britse soldaten een beroemdheid. Valentine Joe stierf begin 1916, precies één maand voor zijn zestiende verjaardag. Bij zijn inlijving als oorlogsvrijwilliger loog hij over zijn leeftijd, wellicht om het in zijn ogen ´avontuur´ niet te moeten missen. Arme Joe toch. Wanneer zou hij de ware aard van zijn avontuur ontdekt hebben? Zijn grafsteen op Essex Farm Cemetary in Boezinge (Ieper) wordt druk bezocht, in het bijzonder door vaak diepontroerde Britse scholieren – leeftijdsgenoten van de jonge soldaat. Valentine Joe speelt ook de hoofdrol in het gelijknamige jeugdboek van de Britse Rebecca Stevens dat in 2014 naar het Nederlands werd vertaald.
Het aantal romans over de Eerste Wereldoorlog voor lezers van de lagere en middelbare school is eerder beperkt te noemen. Ik telde een vijftiental boeken (inclusief vertalingen) in de voorbije vijftien jaar, met een piek in 2013 en 2014 in het kader van 100 jaar WO I. Het contrast met het aanzienlijke aanbod jeugdliteratuur over de Tweede Wereldoorlog is dan ook groot. Vermoedelijk spelen bij uitgeverijen ten dele commerciële motieven; onze Groote Oorlog is nu eenmaal minder van betekenis bij onze Noorderburen. Tot op vandaag verschijnen er wel Nederlandstalige boeken (al dan niet als vertaling) over diverse facetten van de Tweede Wereldoorlog: over de jodenvervolging en doorgangskamp Westerbork natuurlijk en over verzet en collaboratie, maar ook bijvoorbeeld over de oorlogsjaren in andere Europese landen. Denk aan De tunnel van de Nederlandse Anna Woltz over de Duitse bombardementen op Londen, en De rest van ons leven van de Vlaamse Els Beerten over de massale deportatie van Italiaanse ingezetenen op last van de Britse regering.
Hoe het ook zij, knappe jeugdboeken als bovengenoemde Valentine Joe,Ule van Marc de Bel, Alles komt goed, altijd van Kathleen Vereecken en Getekend door de oorlog van Karla Stoefs (om er een paar te noemen) zijn van wezenlijk belang in de herdenking van De Groote Oorlog bij kinderen en jongeren. Opdat ook zij nooit of te nimmer vergeten hoe macaber, gruwelijk en verwoestend de oorlogsjaren 1914-1918 waren, voor iedereen. Wat betekenen concepten als vriend of vijand in zo’n ontmenselijkt bestaan dan nog? Zijn het niet allemaal mensen? Laten we hen ook 108 jaar later blijven eren.
Zoals in de beklijvende woorden waarmee dagelijks de Last Post aan de Menenpoort wordt afgesloten:
We shall remember them.
*Vrij naar een versregel uit ´In Flanders Fields´ van John McCrae.
Al te vaak zijn ze slechts onderdeel van statistieken of algemene analyses, al die naamloze slachtoffers van de geschiedenis. Maar hebben niet alle doden, gewonden, vermisten, vluchtelingen en ontheemden een uniek persoonlijk verhaal dat er toe doet? Wie kent deze vergeten mensen nog? Wie noteert hun verhaal? En ook: wie luistert? Naar hen luisteren is een oprechte erkenning van hun mens-zijn. Dat besefte ik eens te meer door het beklemmende autobiografische tweeluik van de Duitse schrijfster Natascha Wodin (1945).
In Ze kwam uit Marioepol en Ergens in dit duister ontrafelt Wodin het verborgen verleden van haar moeder en haar vader in een poging ook zichzelf beter te leren kennen. Als dwangarbeiders uit Oekraïne blijven ze na 1945 als ‘ontheemde buitenlanders’ in Duitsland, ontworteld en gedoemd tot een leven aan de onderkant van de samenleving. Ze vinden er hun plaats niet. Ze voelen geen grond onder hun voeten. Ze horen er nooit bij. Ze probeert het fascinerende maar tragische leven van haar aristocratische moeder te reconstrueren, voor wie het leven te zwaar bleek en die zelfmoord pleegde toen Natascha tien was. Ze rekent af met haar stugge vader, met wie ze een moeizame, gecompliceerde relatie heeft. Door zijn hardnekkig stilzwijgen blijven veel vragen over zijn verleden onbeantwoord.
Het zijn twee aangrijpende portretten van twee mensen die voor hun dochter uiteindelijk grotendeels vreemden blijven.
Ik heb beide boeken af en toe opzij moeten leggen, om even op adem te komen. Voor ons, lezers, is haar verhaal gewoon fictie. Voor haar is het ‘gewoon’ haar léven. Ze kan niet ontsnappen. Ze schrijft enigszins zakelijk, zonder pathos. Ze presenteert zich in geen geval als slachtoffer. Ze heeft het gered, zoals ze zelf aangeeft. Maar ze kan het niet mooier of zachter maken dan het is.
Als kind had ik een Tante Nonneke. In feite was zij een groottante van mij en een tante van mijn vader. Natuurlijk had tante ook een eigen geboortenaam en een kloosternaam, maar bij mijn weten noemde iedereen in de familie haar Tant’Nunne. Naar verluidt was haar intrede in het klooster een oprechte roeping en hoopte ze vurig dat ze de hemel zou verdienen. Ik hoop dat het haar gelukt is. Van mij krijgt ze in elk geval een extra aflaat omdat ze mij naar de letter B van mijn persoonlijke literaire canon brengt.
Voor mijn eerste communie gaf Tant’Nunne mij een vrolijk en ietwat naïef geïllustreerde kinderbijbel cadeau. Beteuterd nam ik hem aan; dat was nu niet bepaald een leuk communiecadeau, vond ik. Mijn aanvankelijke teleurstelling bleek ongegrond want deze kinderbijbel was een schatkist vol fraaie verhalen waar ik niet genoeg kon van krijgen. Bjbelse verhalen hebben me altijd gefascineerd. Ik zie mij nog zo op de schoolbank in de lagere school zitten, één en al oor, en oprecht meelevend met de voor- en tegenspoed van Gods mensen. Ik voelde afschuw toen Jozef en Maria halsoverkop de kindermoorden van Bethlehem moesten ontvluchten, verwondering dat Jona drie dagen en drie nachten in de donkere buik van de walvis (of was het een reuzenvis?) kon overleven, en intens verdriet bij Judas’ lafhartige verraad. En ik kon de Galileeërs maar niet van de Galliërs onderscheiden.
Ja hoor, mijn kinderbijbel heb ik nog altijd.
De Bijbel is al sinds mensenheugenis een belangrijke inspiratiebron voor schilders, beeldhouwers, schrijvers en componisten. Zonder kennis van bijbelse referenties zouden we blind, doof en stom zijn bij ons luisterrijke cultureel erfgoed. Net daarom gaven wij deze verhalen bewust aan onze kinderen mee. Voor hen waren het in eerste instantie mooie en vaak spannende verhalen. Ik heb eigenlijk geen idee hoeveel hen werkelijk is bijgebleven.
De Bijbel is nog steeds het meest gelezen boek ter wereld. Ook in de kinder- en jeugdliteratuur verschijnen nog regelmatig nieuwe bewerkingen, vooral van populaire onderwerpen als het kerstverhaal en de ark van Noach. Er zijn ook nog kinderbijbels voorhanden. In de reeks Bijbelverhalen voor kleuters van Kathleen Amant worden bekende verhalen op een heel eenvoudige wijze en met duidelijke en kleurrijke illustraties gebracht. Voor oudere kinderen is er Bijbel: verhalen uit het Oude Testament met stemmige illustraties van Sassafras De Bruyn, waarin de bijbelverhalen op klassieke wijze worden verteld.
Hoe anders is de benadering van Philippe Lechermeier en Rébecca Dautremer in Een Bijbel, een vuistdikke, eigentijdse bewerking bestemd voor jongeren en volwassenen. Met een verbluffende literaire en artistieke veelzijdigheid creëren zij een uniek bijbels universum. Hun invalshoek kan zonder meer als bijzonder eigenzinnig beschouwd worden. In deze hervertelling speelt Lechermeier ingenieus met taal en inhoud door een waaier aan literaire vormen te gebruiken. Zo wordt het verhaal van Kaïn en Abel op rijm gezet en duiken Jozef en zijn broers op in een toneelstuk in drie bedrijven, regie-aanwijzingen inbegrepen. De uittocht uit Egypte en Mozes’ veertigjarige tocht door de woestijn worden dan weer door een kleine vlieg verteld, jawel. En naast gewone verhalen (nou ja, wat is in dit geval “gewoon”) is er onder meer ook een liefdeslied, een verhaal in dialoogvorm, een sappig marktverhaal, een sprookje en een soort Roelantslied. Literaire variatie troef dus, zonder ook maar een moment het wezen van deze verhalen te verloochenen. Lechermeiers hervertelling is doorleefd, gevoelig en diepmenselijk. Hoe mooi is het niet om de innige liefde tussen Jezus en Maria Magdalena te zien ontluiken of te lezen dat de overspelige vrouw meelevend “de vrouw die van een andere man houdt” wordt genoemd. En opmerkelijk, de engel Gabriël, boodschapper Gods, is hier een vogelman/mensvogel, een referentie naar de ultieme droom van de mens om te kunnen vliegen. De aanpak van Lechermeier is zo verfrissend en prikkelend dat ik enkel in superlatieven kan spreken. En dan heb ik het nog niet over de illustraties van Rébecca Dautremer gehad … (Dautremer ontmoetten we trouwens al eerder, in het gezelschap van de bekoorlijke Joodse weduwe Judith.)
Maar eerst dit: sta even stil bij het beeld dat jij over Adam en Eva, Mozes, Maria of Jezus hebt. Denk je daarbij aan een bepaald beeldhouwwerk, een schilderij of een prent van een Europese kunstenaar? Vast wel. En heb je hen ooit op een heel andere manier voorgesteld? Wellicht niet. Want deze krachtige beeltenissen zijn vaak al eeuwenlang in ons bewustzijn verankerd en lijken haast onwrikbaar. Ja, natuurlijk schilderde Michelangelo een gespierde en baardloze Christus in de Sixtijnse kapel, maar had hij veel navolging? Neen.
Wel, illustratrice Rébecca Dautremer gaat de uitdaging met deze diepverankerde conventies aan. Ze tovert en varieert met kleur, techniek, compositie en perspectief en komt tot een fascinerende, nieuwe bijbel-beeldtaal. Zo hebben Adam en Eva onmiskenbaar een Afrikaanse oorsprong – en dat is helemaal niet zo gek want liggen de wortels van onze verre voorouders niet in het huidige Ethiopië? Jezus zelf lijkt in niets op de man die traditioneel (in Europa) met een vlassig baardje, halflang sluik haar en Kaukasische gelaatstrekken wordt voorgesteld. De Exodus is dan weer een aangrijpende, koortsachtige vlucht van doodsbange mensen met kinderwagens, jengelende kinderen en opwaaiend stof. En schrikwekkende tronies stappen dreigend uit hun omlijsting om Jezus gevangen te nemen en over te leveren. Dat zijn maar enkele voorbeelden. Elk beeld is een subliem verstilde moment dat een heel verhaal vertelt. Dautremers beelden zijn groots en paginavullend of net klein en subtiel; ze zijn mysterieus, geraffineerd, ingetogen, vertederend, subtiel, sensueel, beklemmend, grimmig, indringend en overdonderend. En ze zijn nog veel meer dan dat. Hoe dan ook reiken woorden niet ver genoeg om deze esthetische parels te omschrijven. Dat is niet erg. Dit is vooral een boek om te ervaren.
Ik zou zeggen, oordeel vooral zelf tijdens jouw prinsheerlijk kuieren in deze kunstgalerij:
Hagar en Sara, slavin en vrouw van Abraham
De uittocht uit Egypte
“Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.” Jezus en de vrouw die van een ander houdt
Ik was twaalf jaar toen ik een plechtige gelofte aflegde. Een van mijn dochters zou ik Hasse noemen, naar Hasse Simonsdochter, het hoofdpersonage uit het gelijknamige boek van de Nederlandse Thea Beckman (1923-2004). In die dagen lag Hasse Simonsdochter me bijzonder na aan het hart. Ik bewonderde haar, want ze stond voor alles dat ik als bange wezel niet kon of durfde. Hasse met haar fonkelende donkere ogen en ravenzwarte haren. Hasse, het onverschrokken en vrijgevochten meisje dat zo hield van dwalen door de polders en het rietland. Hasse die aan de zijde van een vaandel huurlingen, die God noch gebod kende, een spannend en ongebonden leven leidde. In een woord, Hasse Simonsdochter was gewéldig!
Jaren later heet niet een van mijn dochters Hasse. Al die tijd had deze naam voor mij zelfs geen enkele betekenis meer. Mijn belofte bleef diep verborgen en onaangeroerd in een van de kamers van mijn geheugen liggen. Pas toen de oudste dit boek uit haar klasbibliotheek meebracht, kwam ze me langzaam voor de geest, als een zachte weerklank uit Lang Geleden. (Zo gaat dat dus met de woorden van eer uit onze jeugdjaren. Op dat moment lijken ze in steen gebeiteld, niet te verbrijzelen, maar uiteindelijk blijken ze uit losse kiezelsteentjes te bestaan.) Telkens ik nu de naam Hasse hoor of lees, vraag ik me af of deze meisjes naar Beckmans onvergetelijke personage werden genoemd en of ze hun naam met fierheid dragen. Ik mag hopen van wel!
De iconische cover uit de jaren ’80 … een onvergetelijk boek! (Al bleek dit in mijn geval relatief.)
Niet Hasse Simonsdochter maar Kruistocht in spijkerbroek is Beckmans meest gerenommeerde roman. Dit verhaal uit 1972 over de jongen Dolf die naar een Kinderkruistocht in het jaar 1212 wordt geflitst, is tot ver voorbij de landsgrenzen befaamd. Bijna 50 jaar na de eerste uitgave is het boek nog steeds in herdruk en het werd voor film, theater en musical bewerkt. Thea Beckman is geheel terecht la grande dame van de historische jeugdroman. De jaarlijkse (Nederlandstalige) literaire prijs voor dit genre werd dan ook naar haar vernoemd. Tal van haar boeken groeiden uit tot ware klassiekers die decennia later nog steeds gelezen worden. Ik zie het wel vaker: verhalen die ons als kind bijbleven geven we nu maar wat graag aan onze eigen kinderen door. Deze boeken worden gedeelde herinneringen, waarbij we verleden en heden zachtjes aan elkaar rijgen. Bij sommige volwassenen volgt hierna de grote ontnuchtering: het verhaal blijkt dan toch niet zo razend spannend als in hun herinnering – het leest niet meer zo vlot – echt bijzonder is het niet … Zelf ervaar ik deze ontgoochelingen niet. Ik voel nog steeds diezelfde intense opwinding en sensatie als toen, alsof ik weer dat tienermeisje ben dat met blozende wangen en boekenogen bladzijde na bladzijde verorbert. De kritische, analytische (“volwassen”) blik kan ik gemakkelijk uitschakelen.
Uiteraard voelen taal en stijl enigszins verouderd aan. Taal is immers het verbale herscheppen van de wereld om ons heen en onze taal verandert omdat de wereld zelf voortdurend in verandering is. Ook voorkeuren en verwachtingen evolueren. Dat is bij volwassenliteratuur en film- of muziekbeleving niet anders. Toch hindert dit de meeste jongeren van nu amper. Want wat verteltalent en beleving betreft moeten de oudjes zeker niet onderdoen voor jongere generaties als Noëlla Elpers, Rob Ruggenberg (+ 2019), Jean-Claude van Rijckeghem, Simone van der Vlugt of Floortje Zwigtman.
Vooral Jean – Claude van Rijckeghem staat bij recensenten én jongeren hoog aangeschreven. (Deze gezamenlijke waardering is uitzonderlijker dan men zou vermoeden.) Hij schrijft levendig en zintuigelijk met rake observaties; we kunnen het verleden als het ware zien, horen, ruiken, voelen en proeven. Ook wij dragen van Rijckeghem een warm hart toe, want in enkele romans spelen moedige meisje de hoofdrol. In een wereld die door mannen wordt gedomineerd komen zij voor zichzelf op en nemen hun lot resoluut in handen. En aan wie doen Margaretha van Male (uit Jonkvrouw), Gitte Niemandsdochter (uit Galgenmeid) en Stans (uit Ijzerkop) denken? Juist … aan Hasse Simonsdochter natuurlijk! Al kunnen zij in mijn ogen niet – nooit! aan Hasse tippen. Maar kijk, de cirkel is rond, altijd.
Over de historische authenticiteit en het artistieke niveau van de driedelige TV-reeks The Medici valt veel te zeggen. Normaal gezien ben ik best wel kritisch ingesteld, maar deze keer maalde ik er echt niet om. Meer zelfs, ik kon er niet genoeg van krijgen. Want ja, dit was het verhaal van de illustere familie de’ Medici, een naam die onlosmakelijk verbonden is met mijn grote liefde Firenze. Firenze … hoeveel duizelingwekkende schoonheid kan één stad eigenlijk herbergen? Deze stad roept mij, wenkt mij, trekt aan mij, zoals de verleidelijke gezangen van zoetgevooisde sirenes. Ik zou er steeds opnieuw heen willen.
In tijden van gesloten grenzen en opgelegde afzondering ben ik dan maar dagdromend onderweg. In gedachten flaneer ik door de straten en piazza’s van Firenze en volg er zichtbare en onzichtbare sporen van het verleden. De reisgids brengt me naar plaatsen en gebouwen met historische feiten en accurate beschrijvingen. De historische roman gidst me door de stad met beelden en verhalen over het hoe was of had kunnen zijn. Literatuur brengt me ver voorbij het zichtbare verleden, voorbij de feiten en cijfers. Deze keer maak ik zonder aarzelen de oversteek naar literatuur voor volwassenen. Zijn er dan geen jeugdboeken over Firenze? Toch wel*, maar niet één kan tippen aan het boek dat ik zo graag wil voorstellen.
In 1961 verscheen The agony and the ecstacy van Irving Stone, zonder meer een sublieme biografische roman over de Florentijnse gigant Michelangelo. In een sprankelende en meeslepende stijl (de beduimelde pagina’s zijn mijn getuigen) vertelt Stone over zijn leven en werk, zijn tomeloze energie, zijn triomfen en ontgoochelingen, zijn twijfels en ambities; en dat alles is intens verweven met de woelige ontwikkelingen in Firenze en Rome. Bovenal weet hij de essentie van de persoon Michelangelo uitstekend te vatten. Met name zijn grenzeloze passie voor beeldhouwkunst, want marmer is “de meest levende substantie ter wereld, het is ritmisch, toegankelijk, warm, levendig, meegaand, veerkrachtig en vol kleur.” Naar verluidt keek Leonardo da Vinci misprijzend neer op beeldhouwers; achtte hen niet hoger dan stoffige, onbehouwen steenkappers – tot grote woede van een diep gekrenkte Michelangelo. De vete tussen de twee kunstenaars wordt door Stone meesterlijk beschreven.
Dit meesterwerk is helaas moeilijk in de bibliotheek te vinden. Het is wel online te koop of – zoals ik deed – in de shop van Museo dell’ Opera del Duomo. @j.b.d
Wat is over deze strijd der titanen feit en wat is fictie? Ik weet het niet en dat geeft niet, se non è vero, è ben trovato … De magische kracht van literatuur is immers eindeloos want kijk … Al bladerend glip ik via een geheime doorgang naar het jaar 1501 en naar de werkplaats van de Duomo, waar anonieme timmermannen, metselaars, steenhouwers, schilders en smeden met eeltige handen en gekromde ruggen aan het werk zijn. En ginds inspecteert Michelangelo liefdevol een marmerblok dat al vijftig jaar lang stof ligt te vergaren. Als enige ziet hij de vele beperkingen van dit blok als een grote troef. In stilte observeer ik zijn denk- en creatieproces: hoe hij zijn beeld al lang in het innerlijke van het marmer heeft gezien, en hoe hij precies weet hoeveel marmer hij kan weglaten tot de David zich uit de materie bevrijdt. En wanneer drie jaar later het monumentale beeld (5,5 meter!) met nauwelijks 1 meter per uur van de Duomo tot aan Palazzo Vecchio wordt gebracht, sta ik vol ontzag tussen het publiek te kijken. Dit standbeeld is ongezien! Dankzij The Agony and the ecstacy heb ik het ontstaan van dit meesterwerk van nabij mogen beleven. Niemand kan mij deze ervaring ontnemen.
Na turbulente tijden het symbool van het nieuwe Firenze
Mijn verbondenheid met Michelangelo was zo sterk dat ik bij zijn dood tranen in de ogen had. Ik voelde me verweesd, was enige tijd in mezelf gekeerd, als had ik een dierbare vriend verloren. Echt waar. Dat literatuur het hart op zo’n unieke wijze kan aanraken is voor mij ontegenzeggelijk pure magie!
Sindsdien ben ik vastberaden om in dit leven zoveel mogelijk sporen – nee, gulzig als ik ben, zeg ik – àlle sporen van Michelangelo te volgen, en te kijken en te blijven kijken naar zoveel meesterschap. De eerste halte van mijn pelgrimage wordt zijn Madonna met kind in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge. In wezen vlakbij maar momenteel zo veraf. Het is niet anders. Maar verbaast het jullie dat ik sta te popelen van ongeduld?
* Het lege ei: over de koepel van Brunelleschi (Hedwig Van de Velde)/ Renaissance: over de gewelddadige machtsstrijd tussen Florentijnse families (reeks: Assasin’s Creed, Oliver Bowden)/ Paolo, leerling van Leonardo da Vinci (Hans Ulrich)