Halte Poëzie #3

De oude eik

Elke keer, als ik hem zie,

dan zwaait hij al van verre.

De oude eik

in het vergeten

stukje bos.

Met aan z’n voet

het zachte mos.

Ik streel hem

over z’n gekloofde bast,

spreid mijn armen

en houd hem even vast.

Zo praten we weer wat bij.

En als dan weer

de stilte valt,

dan voel ik hem.

En hij voelt,

denk ik, mij.

(Willem Wilmink)

Halte Poëzie #1

Klanken vangen, letters rijgen aan je punt, een woord krijgen en nog een wonderwoord of honderd. Een zin is het begin van een reis*…

Een Poëzieweek (30 januari- 5 februari) in zeven haltes.

 

Ochtend

Mijn tuin slaapt.

Ik zie zijn adem:

mist tegen het raam.

Mijn tuin droomt

van geel en blauw.

En wat hij droomt,

dat zal bestaan.

Als de zon is opgegaan.

 

(Sjoerd Kuyper)

 

 

 

 

* Uit: Zin van Mary Heylema

Zinnen van zijde #1

Charisma.

Aan dat woord dacht ik spontaan tijdens het voorlezen van Liefde is niet voor lafaards. Een charismatisch boek – daar heb ik eigenlijk nog nooit van gehoord maar zou het dan niet kunnen? Want dit boek heeft iéts, heeft hét: een bijzondere gave, een aantrekkingskracht die niet onmiddellijk te duiden of te verklaren is. Charisma dus.

Op zich is het verhaal weinig opzienbarend. Kleine Fred mist zijn vader die in de oorlog dient. En hij draagt een geheim met zich mee: hij is verliefd op Elsa, een bijzonder meisje uit zijn klas.

Maar werkelijk, wat een mooie, rijke taal! Het zijn zinnen die als de zachtste zijde aanvoelen. Vaak schuilen de mooiste beelden in eenvoud, in het ongekunstelde. Wel, auteur Ulf Stark is een meester van de eenvoud; met weinig woorden kan deze beeldhouwer de mooiste beelden creëeren. Geniet even mee van ons favoriete fragment: “Ik liep naar de diepe kledingkast. De lamp deed ik niet aan. Ik liet wel de deur een eindje openstaan. Daarbinnen kon je de wind door een kier horen suizen. Op de grond zag ik papa’s dansschoenen, ze stonden klaar om precies op de maat over de vloer te glijden. Papa hoefde er alleen zijn voeten maar in te steken. Daarboven hing zijn nette pak, het was donkerblauw met dunne lichtgekleurde streepjes. En op de plank lag papa’s hoed te wachten op zijn met haarwater gladgekamde hoofd. Als ik in het halfdonker mijn ogen bijna dichtkneep was het net alsof hij daar echt helemaal stond. ‘Wil je een geheim horen?’ fluisterde ik. ‘Natuurlijk, kerel,’ suisde de papa-kier.”

IMG-20200111-WA0009

Een kleinood in de ware betekenis: klein van formaat maar groots van inhoud.

Vooruit dan, nog een laatste vooraleer jullie zelf het verhaal gaan lezen: “Toen ik de volgende ochtend half rennend door de gang liep kreeg de directeur me te pakken. Ik was te laat. Ik had naar een bevroren goudvink op een tak staan kijken, terwijl ik over Elsa nadacht.” 

Heerlijk toch?

 

* Zinnen van zijde als aparte rubriek want soms zijn zinnen gewoon te mooi en te bijzonder om ze voor onszelf te houden.

 

Winterwandelen

 

Mispeldonk, eind december, middaglandschap.

De zon staat laag aan de horizon en trekt blauwe en oranje tinten.

Dat het koud is zal ik merken.

Ik wandel –

langs de kale hoge bomen lijkt het op majestueus schrijden.

Onder mijn voeten knerpt het grind.

 

Links aan de beek ga ik de weiden in.

Aan de einder grazen Gallowayrunderen.

Elders twisten eksters.

Een winterkoninkje vliegt voor me uit.

Het dode hout van oude bomen ontvangt nieuw leven.

Kijken en weinig zien.

Ik weet niet veel van deze wonderen en dat betreur ik.

Ik zie voetsporen – oude en nieuwe.

Zo veel wandelaars hebben het pad reeds gevormd.

Ik hoef hun voeten maar te volgen om me te laten leiden waar ik heen wil.

 

Of niet?

Maak ook ik niet mijn afdruk in dit landschap?

Bestaat deze weg echt al?

Of ontstaat zij steeds opnieuw al wandelend?

 

Geïnspireerd op: ‘Caminante no hay camino’ van Antonio Machado en ‘De oude wegen’ van Robert Macfarlane

De koudste winter

Treur niet, lieve. Ik ben tegen Kerstmis thuis.

Dachten ze.

Het werden vier lange winters.

En ze knakten als bloemen in de vrieskou.

IMG-20191121-WA0001.jpg

@ Judith B.D.

 

Winter in Ieper (1918-2018)

Wij kwamen naar Ieper om de grote oorlog terug te kijken.

Wit uit de grond gestoken staan, de loopgraven toegedekt

met beleefd geschoren gras, in eindeloos gelid van duizenden

en duizenden soldaten hun botten als zerken strak omhoog.

Er zijn fabrieken naast gebouwd en van de akkers rondom

zijn de spruiten geoogst. De wieken van de windmolens

hoog boven ons geven aan dat de tijd nog steeds verstrijkt.

We lopen door bevroren slijk naar waar de jongens liggen.

Zo bewaart Ieper de doden van een eeuw geleden: 

ze kregen verse stenen boven hun gebeente en hun namen

blijven scherp gesneden in ‘t gesteente, of heten voortaan

Known unto God. Wie zond die jongens de dood in?

Hun vaders en moeders niet. Er zijn geen ouders meer 

die huilen dat hun zoon ver weg van huis bij Ieper ‘t leven liet.

De tijd ging honderdmaal heen. Alleen de trouwe kou is er 

nog en elke winter vindt het gras bevroren tranen terug.

(Ted van Lieshout)