Tot de dood en verder

‘ O Romeo, Romeo, wherefore art thou Romeo? / waarom ben jij Romeo?’ verzucht Julia in de tragedie van William Shakespeare (1564-1616). Het tragische verhaal over de onmogelijke liefde tussen twee jonge mensen uit elkaar vijandige families was vanaf het prille begin bijzonder populair zodat Romeo en Julia tot iconische geliefden uitgroeiden. Hun romance past in een lange literaire traditie van verhalen over de onbereikbare liefde. Romeo en Julia vertoeven in het illustere gezelschap van Pyramus en Thisbe, Paris en Helena, Dido en Aeneas, Orpheus en Eurydice, Floris en Blancefloer, Tristan en Isolde en Lancelot en Guienevere – om de befaamdste koppels uit onze contreien te noemen. Hun gedoemde liefde werd eveneens vereeuwigd in beeldende kunst, muziek en audiovisuele media. In de jeugdliteratuur daarentegen zijn deze prachtige verhalen amper een bron van inspiratie voor verfrissende bewerkingen of hervertellingen*. Waar dat aan ligt is mij niet helemaal duidelijk.

Prentenboeken, kinderboeken en jeugdromans over verliefd zijn en de liefde (in al haar diversiteit) zijn er nochtans in overvloed, in het bijzonder voor jonge adolescenten. (Poëzie laat ik even buiten beschouwing.) Ik laat je graag kennismaken met drie liefdesverhalen die me na aan het hart liggen. Over het hartverwarmende Liefde is niet voor lafaards van Ulf Stark was ik al eerder lyrisch, in het bijzonder over de beeldrijke taal. Ook het nagelnieuwe Een zee van liefde, een stevig prentenboek van 80 pagina’s van Pieter Gaudesaboos, mag niet ontbreken. In een lange heerlijke zomer groeien Pinguïn en Beer, die niet meer van elkaar kunnen verschillen, naar elkaar toe – dat het twee jongens zijn valt niet eens op. Met de knappe grafische illustraties doet dit vertederende prentenboek aan een trage retro animatiefilm denken. Het is visueel erg mooi en heeft vast en zeker het potentieel om tot een klassieker uit te groeien. Duimen maar dat hij eind maart als enige Vlaamse genomineerde de BOON-prijs voor jeugdliteratuur in ontvangst mag nemen.

@pieter gaudesaboos

Puur gevoelsmatig gaat mijn hart echter naar een andere verliefde Beer uit. Deze Beer is dol op Vlinder die ‘zo mooi is als een uitgeknipt stukje hemel´, maar zij lijkt wel doof, stom en blind voor zijn tedere maar onhandige liefdesverklaringen. Beer is op Vlinder behoort tot het vroege werk (2004) van de Nederlandse Annemarie van Haeringen. Haar zachte, poëtische illustraties zijn rijk in al hun eenvoud. Nu ja, wat heet eenvoud … Het is een uitgepuurde eenvoud en dat vereist vakmanschap. Wie met aandacht kijkt zal ook de opmerkelijke diepte en warmte in haar aquarelwerk ervaren. Beer en Vlinder zijn bovendien veel meer dan hun penseeltoetsen; het zijn bezielde personages die leven en voelen en dartelen, dansen en stuntelen op papier. Is het ook niet heerlijk dat kinderen zich geen vragen stellen over een beer die van een vlinder houdt? Dat is de kracht van verhalen natuurlijk: alles is mogelijk.
En Beer en Vlinder? Die liefden nog lang en gelukkig*.

* Toch enkele titels: Romeo en Julia van Tiny Fisscher / Veldslag om een verloren hart: het verhaal van Helena van Michael De Cock / Izzy + Tristan van Shannon Dunlap

* Naar een titel van Geert De Kockere

Blinde vlek

Vooroordelen. Verwachtingen.

Recensenten zouden ze niet mogen hebben. Idealiter benaderen we elk boek geheel onbevangen, als een onbeschreven blad. Helaas werkt het menselijk brein niet op die manier. Ik beken ootmoedig dat ik er niet altijd – oké zeg maar zelden – echt in slaag. Heel snel, in een fractie van een seconde, kan er een stemmetje in mij fluisteren en worden bepaalde verwachtingen gecreëerd. Het is een subtiel proces dat ik soms niet onmiddellijk bij mezelf opmerk maar die wel mijn boekenkeuze kan bepalen. Men zegt dat de eerste indruk meestal juist is omdat het intuïtief gebeurt. Misschien wel, al is de grens tussen intuïtie en oordeel flinterdun. Een mens kan de bal ook wel eens behoorlijk misslaan. Dat overkwam mij onlangs met het jeugdboek Circus Maximus: de race van de keizer, het debuut van de Britse Annelise Gray. Het is een historische roman over de jonge Dido die een bijzondere gave voor paarden heeft. Zij droomt ervan om ooit eens deel te nemen aan het wagenrennen in het Circus Maximus in het Oude Rome.

Ik nam het boek in mijn handen en wat dat stemmetje mij op dat ogenblik razendsnel influisterde, nee, het was niet bepaald netjes: Jah… een meisje dat van paarden houdt … pfff … omdat de schrijfster dol is op paarden zeker … en die cover … ziet er behoorlijk cliché uitdat wordt lastig lezen … *zucht*. Het was een leesopdracht, dus moest ik het boek wel tot de laatste bladzijde uitlezen. Met frisse tegenzin begon ik eraan.

293 pagina’s later moest ik erkennen dat Dido mij echt wel had weten te bekoren. Ik heb weliswaar wat opmerkingen bij het verhaal zelf maar het is moeilijk om niet van deze sympathieke überheldin te houden. Dido gaf me ook een lesje in nederigheid want vanwaar kwam mijn vooringenomenheid? Ik heb immers geen afkeer van paarden en bovendien hou ik van historische romans, zeker wanneer een jonge heldin de hoofdrol speelt. En toch dook dat stemmetje ogenblikkelijk bij me op. Eerlijk gezegd schaamde ik me hierover een beetje maar al gauw bleek ik lang niet de enige lezer die met dit vooroordeel worstelde. Toch opvallend, niet? Dus zeg eens, zijn verhalen over meisjes die van paarden houden ook jouw blinde vlek?

Natuurbeeld


Ik kijk naar het water – en of het stil is II

Ik kijk naar het water – en of het stil is

of zwart, en rimpelt of glinstert, het doet maar

ik denk: zo is het, dit is hoe het moet

er drijven eenden tegen het riet, die eenden

daar, in het riet, er staan wat wilgen en elzen

die daar, in de bocht van de rivier

alles heeft zijn eigen moment, zijn eigen plek

er waren oneindig veel mogelijkheden om

een landschap met een rivier te zijn

er is gekozen voor deze ene en deze is goed

(Rutger Kopland)

Poëzieweek van 27 januari tot en met 2 februari met als thema ´Natuur´

Winterrust


Er is geen einde aan dit uur;

het laatste woord, wie spreekt het dan?

Wat als een windvlaag overkwam

zal later gloeien als een vuur.

Eerst maken wolken grote sier,

dan stort de regen driftig neer.

De langzaam opgehoopte sneeuw

zal weldra smelten tot rivier.

Wat aan zijn eind gekomen is

gaat slechts in onze ogen dicht,

stapt door de deur der duisternis

tot in het licht.

En als het hart van het oude breekt,

ontluikt het nieuwe op eigen kracht.

En, als de bloei van het leven verbleekt,

wordt het fruit van de dood al verwacht.

(Rabindranath Tagore)

Lezen en laten lezen

Ik kan het niet verbloemen: Vlaanderen is het kneusje van de klas.

Nu ja, toch wat leesvaardigheid (begrijpend lezen) en leesmotivatie/leesplezier betreft. Ik schreef al eerder dat we op desbetreffende internationale rankings flink naar beneden tuimelden, in die mate zelfs dat het zeer verontrustend te noemen is. De Vlaamse overheid lanceert nu samen met een aantal relevante partners een heus Leesoffensief. Naar het succesvolle voorbeeld van Ierland werden vijftig concrete acties over maatschappelijke domeinen als onderwijs, cultuur en welzijn heen ontwikkeld. Leesvaardigheid staat immers niet op zich; het is essentieel voor alle andere schoolvakken en voor vaardigheden als mediawijsheid en kritisch denken.

De aankondiging van het Leesoffensief viel wat tussen de plooien van alle coronanieuws, dus licht ik graag enkele krachtlijnen van dit ambitieuze tienjarenplan toe. Vlaanderen wil binnen de tien jaar in de top vijf van landen met de beste leesvaardigheid staan. Dat deze steile klim niet onmogelijk is heeft Ierland bewezen. Het actieplan richt zich in eerste instantie tot zwakke lezers, niet-lezers en jonge kinderen die niet in een leesomgeving opgroeien. Nee, zij moeten niet per se fervente boekenwurmen worden maar op zijn minst moeten ze meer dan nu het geval is de kans krijgen om geprikkeld te worden, om de kracht van verhalen te ontdekken, om te ervaren dat lezen ook voor hen betekenisvol is. Bij deze kinderen wordt met andere woorden zo vroeg mogelijk de intrinsieke leesmotivatie en het leesplezier gestimuleerd. Zo wordt Boekstart – voor baby’s en peuters en hun ouders – naar de kleuters uitgebreid. Daarnaast wordt voorlezen belangrijker dan ooit; niet alleen op school, in de kinderopvang of thuis maar werkelijk overal, bijvoorbeeld ook in de jeugdbeweging. Natuurlijk krijgt ook het onderwijs bijzondere aandacht, met meer ondersteuning bij de ontwikkeling van een inspirerende leesomgeving en intensieve bijscholing en aanmoediging van leerkrachten (van alle vakken), kinderbegeleiders en vooral leraren-in-opleiding. Het Leesoffensief wil ook auteurs en (potentiële) lezers met elkaar in contact brengen, door bijvoorbeeld meer auteurslezingen op school. Het actieplan breidt voornamelijk bestaande initiatieven verder uit. En ja, de Vlaamse overheid voorziet hiervoor gelukkig extra middelen, twee miljoen euro om precies te zijn. (Ik heb geen idee of dit voor deze ambitieuze plannen voldoende is.)

Quentin Blake, Mathilda

Vreemd genoeg worden de oorzaken van de opmerkelijke Vlaamse achteruitgang (alweer) niét onderzocht. Hebben de concrete acties dan wel stevige fundamenten, zo vraag ik me toch af. Literatuuronderzoekers wijzen vaak naar de sterke digitalisering van de leefwereld van kinderen en jongeren als een van de belangrijkste oorzaken. Ongetwijfeld heeft de snelle en flitsende digitale media invloed op lang en geconcentreerd lezen (diep lezen) maar op zich is dit geen doorslaggevende verklaring voor de ondermaatse Vlaamse prestaties. Ook toplanden als Finland, Polen en Ierland zijn immers digitale samenlevingen; de hoofdoorzaken moeten dus ook elders liggen. Zou het bijvoorbeeld niet interessant zijn om de kwaliteit van ons leesonderwijs grondig door te lichten?

Hoe het ook zij, leesvaardigheid belangt ons allemaal aan. Ik juich het actieplan toe en verspreid dan ook graag het leesvirus. Doe jij ook mee?

Durven en doen

‘O nee, dat kan ik niet!’

Dat was het stellige antwoord van Oma toen haar kleindochters vroegen of ze voor het slapengaan wilde voorlezen. Oma is heel wijs maar die keer sloeg ze de bal flink mis. Uitspraken als ‘ik kan het niet/ ik durf het niet/ ik heb geen tijd/ ik ben te moe/ ik heb het nog nooit gedaan/ ik ken geen boeken/ ik heb een accent/…’ klinken dan wel als valabele argumenten maar zijn in feite gewoon excuses.

Bij voorlezen in de familiale sfeer gaat het in de eerste plaats om plezier, samen-zijn en connectie en niet zozeer om de juiste intonatie, het passende ritme of de veelheid aan stemmen en gebaren. Dat laatste is mooi meegenomen natuurlijk maar niet de essentie. Wat zullen kinderen onthouden, denk je? Dat het perfect was of dat het zo gezellig was?

Oma had het uiteindelijk begrepen. (En kon natuurlijk niet aan de pruillipjes weerstaan.) Dus telkens wanneer Oma bij ons was werd ik van mijn voorleestroon verbannen. Veel liever vleiden ze zich tegen háár aan om samen naar een andere wereld te trekken. En ach, wie maalt dan nog om dat West-Vlaamse accent bij zo’n liefdevolle nabijheid?

Sint – Maartensvuur

In mijn geboortestreek wordt op 11 november Sint-Maarten gevierd. Die dag is de naamdag van Martinus van Tours (4de eeuw), die als soldaat de helft van zijn mantel aan een arme bedelaar schonk en uitgroeide tot een populaire katholieke heilige met een eigen uitbundig volksfeest. (Bruegel zette het Sint-Maartensfeest op doek.) In sommige dorpen in de buurt is het zelfs Sint-Maarten die als grote kindervriend speelgoed en lekkers brengt en niet Sinterklaas.

Ik herinner me nog levendig hoe de opwinding al dagen vooraf begon bij het maken van onze lantaarn, ons pronkstuk. Dat was niet niks hoor; het was precisiewerk: een inkerving te veel of te diep en we konden helemaal opnieuw beginnen. Eerst holden we met een lepel ijverig een voederbiet uit, diep, breed en stabiel genoeg om een kaars in te zetten. Met een scherp mesje sneden we er vervolgens sierlijke figuren en patronen in en tot slot maakten we een stevig touw aan beide zijden vast om de lantaarn te dragen. En natuurlijk vergeleken we wie de mooiste had. (Het doet sterk aan de versierde pompoenen van Halloween denken, niet?)

Dan brak aan de vooravond van Sint-Maarten ein-de-lijk het grote moment aan. Uitgelaten van vreugde trokken we in groepjes (mag ik bij jou? kom jij bij mij?) met onze lantaarn in het donker door ons dorp. We waren net dansende vuurvliegjes, zo mooi was het. We gingen van deur tot deur en zongen onvermoeibaar het Sint-Maartenslied in ruil voor bergen suikergoed, zo lekker en zo zoet. Eenmaal thuis keurden we onze buit, smikkelden, smulden en snoepten tot … Sinterklaas eraan kwam. Ja, Sint-Maarten was zonder twijfel een van de hoogtepunten van het jaar, zo’n heerlijke tijd!

De bietenlantaarn is grotendeels uit het straatbeeld verdwenen maar het Sint-Maartenslied van mijn geboortedorp klinkt nog steeds als volgt:

Sinte -Moart’nsoavund,

De sterre go mee no Gent

En e mi moed’r woafelkes bakt,

Tun zinne kik zwo kontent

Stookt vier, makt vier

Sinte- Moart’n komt alier

Me zinne bloat’n oarme

Warme warme liere

Tes mor’n Sinte Piere

Tes overmor’n Sinte Lap

‘k Ete minne buk vul zoete pap

’k Ete minne buk vul toart’n

Ter jeire va Sinte- Moart’n

Zinnen van zijde #4


Als de eerste vrouw die God heeft geschapen sterk genoeg was om de wereld in haar eentje op zijn kop te zetten, moeten alle vrouwen samen toch in staat zijn de zaak weer recht te zetten.

(Sojourner Truth, 1851)

Dit citaat uit De eerste vrouw van de Oegandese Jennifer Nansubuga Makumbi las ik tijdens een moment van lang wachten, een zogenaamd ”dood” moment – ideaal dus om een boek open te slaan. Ik las deze zin nog een tweede keer en het was alsof iemand hevig aan mij trok en snokte om me wakker te schudden. Want nog maar zelden had ik zo’n krachtige en zo’n heldere woorden over de zaak van de vrouw gehoord. En ja, ik ben natuurlijk benieuwd hoe jij deze woorden ervaart.
De uitspraak wordt toegeschreven aan Sojourner Truth, geboren als Isabella Baumfree (1793-1883), een Amerikaanse activiste met een fascinerend levensverhaal. Zij werd als zwarte slavin op een plantage van een Nederlandse eigenaar geboren – haar moedertaal was dan ook Nederlands – en werd verschillende malen verkocht tot ze uiteindelijk kon ontsnappen. De rest van haar lange leven wijdde ze onvermoeibaar aan de verbetering van de vrouwen- en burgerrechten in haar land.

Eva en co De eerste vrouw waarnaar Truth verwijst is vanzelfsprekend Eva. Haar verhaal wordt ons nog steeds van jongs af aan bijgebracht: Eva werd uit een rib van Adam geschapen en zij en alleen zij liet zich door de slang verleiden om toch van de verboden vrucht te proeven. Door haar ongehoorzaamheid werd de mens voorgoed uit het paradijs verdreven. Dit verhaal heeft de vrouw in het christendom weinig goeds gebracht.
Over de hele wereld vertellen mensen soortgelijke oerverhalen over de eerste man en de eerste vrouw. In Oeganda is dat het verhaal van Kintu en Nmambi. Volgens de overlevering behoren mannen tot het land en is alles wat het land biedt bijgevolg eigendom voor de man. Vrouwen daarentegen zijn wezens van de zee en hun persoonlijkheid is even raadselachtig en wispelturig als de zee. Door dit verhaal werden vrouwen als vreemdelingen op het vasteland beschouwd, konden ze er geen rechten opeisen en verloren op die manier hun oorspronkelijke onafhankelijkheid.

De eerste vrouw, Jennifer Nansubuga Makumbi | 9789059369511 | Boeken |  bol.com


Hij en zij Deze eeuwenoude Oegandese mythen en verteltradities vormen de kern van Makumbi’s oeuvre, dat zich het best laat omschrijven als literair – antropologische fictie. In haar tweede roman volgen we het jonge meisje Kirabo. Zij wordt door haar omgeving als eigenwijs beschouwd, maar in feite draag ze als een van de weinigen nog het wezen van de eerste vrouw in zich. In ruimere zin roept Kirabo’s persoonlijke ontwikkeling fundamentele vragen op over de positie van de vrouw in Oeganda en over de rol van de oerverhalen in verleden, heden en toekomst. Deze verhalen worden verzameld en geduid door de blinde, wijze vrouw Nsuuta, Kirabo’s mentor – voor haar dorpsgenoten daarentegen niets minder dan een heks. Het moet gezegd, al deze oude verhalen blijven tot op heden in het vrouwelijk collectief bewustzijn nagalmen – vaak impliciet en onbewust – want generatie na generatie hoorden zij geen stemmen. Meer zelfs, de verhalen worden door de vrouwen (deels) zelf in stand gehouden, waarbij Kirabo tot de onthutsende vaststelling komt dat het “altijd andere vrouwen zijn die voor meisjes en voor zichzelf hindernissen opwerpen”. Volgens Nsuuta gedragen vrouwen zich net zoals gekooide kippen die elkaar pikken: ze kunnen hun onderdrukker niet bijten en keren zich uit woede of frustratie dan maar tegen elkaar of tegen zichzelf. Van al deze programmaties zijn maar weinig vrouwen zich ten volle bewust; kijk maar naar de houding van de andere vrouwelijke personages. Zelfs Kirabo kan zich er niet helemaal aan onttrekken. En dus besluit Nsuuta geheel terecht dat “onze ogen niet alles zien waar we naar kijken.” De blinde die de ziende de ogen voor de waarheid opent is een vertrouwde literaire techniek die ook hier uitstekend werkt. Ongetwijfeld wil Makumbi met deze observaties de lezer uitdagen en prikkelen. Mij kon ze in elk geval raken. (Wel vind ik dat ze niet alle ambities in haar roman kan waarmaken maar dit is niet het opzet van deze blogpost.)

Wij of zij? Rest nog de vraag of wij de Oegandese vrouw moeten redden. Het antwoord van Makumbi is in deze interessante podcast glashelder: n-e-e-n! Het Westers feminisme is volgens haar niet de oplossing voor de uitdagingen van de Oegandese vrouw. Voor haar is feminisme cultuurgebonden: de noden in het ene land gelden met andere woorden niet per definitie voor een ander land. Het cultureel/inheems feminisme moet bovendien niet alleen vrouwen maar ook mannen bevrijden. Makumbi geeft hiervoor zelf een aanzet. In haar roman belicht ze ook de positie van de Oegandese man – weliswaar zijdelings: zo worstelt Kirabo’s geliefde met de vele socio-culturele verwachtingen naar hem als jongeman toe. En ze biedt ook hoop want verhalen over de man en de vrouw mannen zijn maakbaar: de oerverhalen werden immers door mensen gecreëerd; de mens kan dus ook nieuwe verhalen vertellen. Vrouwen kunnen – nee, moeten – een eigen stem vinden want ”als we stil zijn, zal iemand anders die stilte ogenblikkelijk voor ons invullen.” Kirabo zal niet stil zijn, wel integendeel. In de laatste bladzijden neemt ze subtiel de fakkel van verhalenvertelster Nsuuta over en geeft zelfbewust nieuwe betekenis aan de oude verhalen. Ze brengt beweging in het vastgeroeste sjabloon, zachtjesaan. Dit boek leest dan ook als een ode aan de (ver)beeldende kracht van verhalen.

Ik legde het boek even opzij en reflecteerde over de universele dimensie in Makumbi’s ambitieuze roman. Want Kirabo’s verhaal overstijgt de contouren van Oeganda. Het gaat eveneens over jou en mij – of we nu m, v of x zijn – en over de patronen die ook onze positie expliciet of impliciet beïnvloeden. Dus, hoezo is wachten een ”dood” moment? Daar is niets van aan, dankzij Makumbi had ik tijdens mijn anderhalf uur aan de rand van het hockeyveld meer dan genoeg stof tot nadenken.

Kijk – wijzer

Elk jaar ontdek ik er minstens eentje tussen de lezers uit het derde en vierde leerjaar voor de Leesjury (voorheen KJV, Kinder – en Jeugdjury): een tekstkind.
Deze term behoort geloof ik niet tot het officiële vakjargon, ik heb het ook niet zelf bedacht, vast ergens opgepikt. Een tekstkind is een kind dat de letters op papier gretig opslorpt maar achteloos over de illustraties heen kijkt. In de boeken voor hun leeftijd staan vaak nog (veel) tekeningen en toch hebben ze er nauwelijks aandacht voor, alsof ze niet bestaan. Weinig aan te doen, dat is nu eenmaal hun manier van lezen.

Woorden én illustraties in de boeken voor de Leesjury.

Tekstkind of niet, gericht kijken naar illustraties is een leerproces, een vaardigheid die we via sturende vragen kunnen stimuleren. Deze vorming is belangrijk om voorbij snelle oordelen als mooi/niet mooi, leuk/niet leuk te gaan en zo hun blik te verruimen en te onderbouwen. Vragen over kijken naar illustraties (en naar kunst tout court) zijn doorgaans geïnspireerd op Parsons’ theorie over de vijf ontwikkelingsfases (“brillen”) van kunstbeleving. Dit raamwerk gebruik ik zelf ook bij de analyse en beoordeling van illustraties bij recensiewerk. Voorheen probeerde ik vaak in een oogopslag mijn mening te vormen. Dat lukte zelden – logisch! Ik bleef aan de oppervlakte dobberen en had moeite om mijn observaties in woorden te vatten. Nu neem ik mijn tijd en stel ik mezelf telkens dezelfde cruciale vraag: wat zie ik nu precies?
Gericht kijken vraagt tijd en geduld. Naar lijnen, vormen, kleuren, compositie, details, materiaal. Het is kijken in veelvoud. Op die manier ziet men het vakmanschap van de illustrator/illustratrice in al zijn facetten en krijgt de illustratie wat ze verdient: niets minder dan onze gulste aandacht.