Durven en doen

‘O nee, dat kan ik niet!’

Dat was het stellige antwoord van Oma toen haar kleindochters vroegen of ze voor het slapengaan wilde voorlezen. Oma is heel wijs maar die keer sloeg ze de bal flink mis. Uitspraken als ‘ik kan het niet/ ik durf het niet/ ik heb geen tijd/ ik ben te moe/ ik heb het nog nooit gedaan/ ik ken geen boeken/ ik heb een accent/…’ klinken dan wel als valabele argumenten maar zijn in feite gewoon excuses.

Bij voorlezen in de familiale sfeer gaat het in de eerste plaats om plezier, samen-zijn en connectie en niet zozeer om de juiste intonatie, het passende ritme of de veelheid aan stemmen en gebaren. Dat laatste is mooi meegenomen natuurlijk maar niet de essentie. Wat zullen kinderen onthouden, denk je? Dat het perfect was of dat het zo gezellig was?

Oma had het uiteindelijk begrepen. (En kon natuurlijk niet aan de pruillipjes weerstaan.) Dus telkens wanneer Oma bij ons was werd ik van mijn voorleestroon verbannen. Veel liever vleiden ze zich tegen háár aan om samen naar een andere wereld te trekken. En ach, wie maalt dan nog om dat West-Vlaamse accent bij zo’n liefdevolle nabijheid?

Sint – Maartensvuur

In mijn geboortestreek wordt op 11 november Sint-Maarten gevierd. Die dag is de naamdag van Martinus van Tours (4de eeuw), die als soldaat de helft van zijn mantel aan een arme bedelaar schonk en uitgroeide tot een populaire katholieke heilige met een eigen uitbundig volksfeest. (Bruegel zette het Sint-Maartensfeest op doek.) In sommige dorpen in de buurt is het zelfs Sint-Maarten die als grote kindervriend speelgoed en lekkers brengt en niet Sinterklaas.

Ik herinner me nog levendig hoe de opwinding al dagen vooraf begon bij het maken van onze lantaarn, ons pronkstuk. Dat was niet niks hoor; het was precisiewerk: een inkerving te veel of te diep en we konden helemaal opnieuw beginnen. Eerst holden we met een lepel ijverig een voederbiet uit, diep, breed en stabiel genoeg om een kaars in te zetten. Met een scherp mesje sneden we er vervolgens sierlijke figuren en patronen in en tot slot maakten we een stevig touw aan beide zijden vast om de lantaarn te dragen. En natuurlijk vergeleken we wie de mooiste had. (Het doet sterk aan de versierde pompoenen van Halloween denken, niet?)

Dan brak aan de vooravond van Sint-Maarten ein-de-lijk het grote moment aan. Uitgelaten van vreugde trokken we in groepjes (mag ik bij jou? kom jij bij mij?) met onze lantaarn in het donker door ons dorp. We waren net dansende vuurvliegjes, zo mooi was het. We gingen van deur tot deur en zongen onvermoeibaar het Sint-Maartenslied in ruil voor bergen suikergoed, zo lekker en zo zoet. Eenmaal thuis keurden we onze buit, smikkelden, smulden en snoepten tot … Sinterklaas eraan kwam. Ja, Sint-Maarten was zonder twijfel een van de hoogtepunten van het jaar, zo’n heerlijke tijd!

De bietenlantaarn is grotendeels uit het straatbeeld verdwenen maar het Sint-Maartenslied van mijn geboortedorp klinkt nog steeds als volgt:

Sinte -Moart’nsoavund,

De sterre go mee no Gent

En e mi moed’r woafelkes bakt,

Tun zinne kik zwo kontent

Stookt vier, makt vier

Sinte- Moart’n komt alier

Me zinne bloat’n oarme

Warme warme liere

Tes mor’n Sinte Piere

Tes overmor’n Sinte Lap

‘k Ete minne buk vul zoete pap

’k Ete minne buk vul toart’n

Ter jeire va Sinte- Moart’n

Zinnen van zijde #4


Als de eerste vrouw die God heeft geschapen sterk genoeg was om de wereld in haar eentje op zijn kop te zetten, moeten alle vrouwen samen toch in staat zijn de zaak weer recht te zetten.

(Sojourner Truth, 1851)

Dit citaat uit De eerste vrouw van de Oegandese Jennifer Nansubuga Makumbi las ik tijdens een moment van lang wachten, een zogenaamd ”dood” moment – ideaal dus om een boek open te slaan. Ik las deze zin nog een tweede keer en het was alsof iemand hevig aan mij trok en snokte om me wakker te schudden. Want nog maar zelden had ik zo’n krachtige en zo’n heldere woorden over de zaak van de vrouw gehoord. En ja, ik ben natuurlijk benieuwd hoe jij deze woorden ervaart.
De uitspraak wordt toegeschreven aan Sojourner Truth, geboren als Isabella Baumfree (1793-1883), een Amerikaanse activiste met een fascinerend levensverhaal. Zij werd als zwarte slavin op een plantage van een Nederlandse eigenaar geboren – haar moedertaal was dan ook Nederlands – en werd verschillende malen verkocht tot ze uiteindelijk kon ontsnappen. De rest van haar lange leven wijdde ze onvermoeibaar aan de verbetering van de vrouwen- en burgerrechten in haar land.

Eva en co De eerste vrouw waarnaar Truth verwijst is vanzelfsprekend Eva. Haar verhaal wordt ons nog steeds van jongs af aan bijgebracht: Eva werd uit een rib van Adam geschapen en zij en alleen zij liet zich door de slang verleiden om toch van de verboden vrucht te proeven. Door haar ongehoorzaamheid werd de mens voorgoed uit het paradijs verdreven. Dit verhaal heeft de vrouw in het christendom weinig goeds gebracht.
Over de hele wereld vertellen mensen soortgelijke oerverhalen over de eerste man en de eerste vrouw. In Oeganda is dat het verhaal van Kintu en Nmambi. Volgens de overlevering behoren mannen tot het land en is alles wat het land biedt bijgevolg eigendom voor de man. Vrouwen daarentegen zijn wezens van de zee en hun persoonlijkheid is even raadselachtig en wispelturig als de zee. Door dit verhaal werden vrouwen als vreemdelingen op het vasteland beschouwd, konden ze er geen rechten opeisen en verloren op die manier hun oorspronkelijke onafhankelijkheid.

De eerste vrouw, Jennifer Nansubuga Makumbi | 9789059369511 | Boeken |  bol.com


Hij en zij Deze eeuwenoude Oegandese mythen en verteltradities vormen de kern van Makumbi’s oeuvre, dat zich het best laat omschrijven als literair – antropologische fictie. In haar tweede roman volgen we het jonge meisje Kirabo. Zij wordt door haar omgeving als eigenwijs beschouwd, maar in feite draag ze als een van de weinigen nog het wezen van de eerste vrouw in zich. In ruimere zin roept Kirabo’s persoonlijke ontwikkeling fundamentele vragen op over de positie van de vrouw in Oeganda en over de rol van de oerverhalen in verleden, heden en toekomst. Deze verhalen worden verzameld en geduid door de blinde, wijze vrouw Nsuuta, Kirabo’s mentor – voor haar dorpsgenoten daarentegen niets minder dan een heks. Het moet gezegd, al deze oude verhalen blijven tot op heden in het vrouwelijk collectief bewustzijn nagalmen – vaak impliciet en onbewust – want generatie na generatie hoorden zij geen stemmen. Meer zelfs, de verhalen worden door de vrouwen (deels) zelf in stand gehouden, waarbij Kirabo tot de onthutsende vaststelling komt dat het “altijd andere vrouwen zijn die voor meisjes en voor zichzelf hindernissen opwerpen”. Volgens Nsuuta gedragen vrouwen zich net zoals gekooide kippen die elkaar pikken: ze kunnen hun onderdrukker niet bijten en keren zich uit woede of frustratie dan maar tegen elkaar of tegen zichzelf. Van al deze programmaties zijn maar weinig vrouwen zich ten volle bewust; kijk maar naar de houding van de andere vrouwelijke personages. Zelfs Kirabo kan zich er niet helemaal aan onttrekken. En dus besluit Nsuuta geheel terecht dat “onze ogen niet alles zien waar we naar kijken.” De blinde die de ziende de ogen voor de waarheid opent is een vertrouwde literaire techniek die ook hier uitstekend werkt. Ongetwijfeld wil Makumbi met deze observaties de lezer uitdagen en prikkelen. Mij kon ze in elk geval raken. (Wel vind ik dat ze niet alle ambities in haar roman kan waarmaken maar dit is niet het opzet van deze blogpost.)

Wij of zij? Rest nog de vraag of wij de Oegandese vrouw moeten redden. Het antwoord van Makumbi is in deze interessante podcast glashelder: n-e-e-n! Het Westers feminisme is volgens haar niet de oplossing voor de uitdagingen van de Oegandese vrouw. Voor haar is feminisme cultuurgebonden: de noden in het ene land gelden met andere woorden niet per definitie voor een ander land. Het cultureel/inheems feminisme moet bovendien niet alleen vrouwen maar ook mannen bevrijden. Makumbi geeft hiervoor zelf een aanzet. In haar roman belicht ze ook de positie van de Oegandese man – weliswaar zijdelings: zo worstelt Kirabo’s geliefde met de vele socio-culturele verwachtingen naar hem als jongeman toe. En ze biedt ook hoop want verhalen over de man en de vrouw mannen zijn maakbaar: de oerverhalen werden immers door mensen gecreëerd; de mens kan dus ook nieuwe verhalen vertellen. Vrouwen kunnen – nee, moeten – een eigen stem vinden want ”als we stil zijn, zal iemand anders die stilte ogenblikkelijk voor ons invullen.” Kirabo zal niet stil zijn, wel integendeel. In de laatste bladzijden neemt ze subtiel de fakkel van verhalenvertelster Nsuuta over en geeft zelfbewust nieuwe betekenis aan de oude verhalen. Ze brengt beweging in het vastgeroeste sjabloon, zachtjesaan. Dit boek leest dan ook als een ode aan de (ver)beeldende kracht van verhalen.

Ik legde het boek even opzij en reflecteerde over de universele dimensie in Makumbi’s ambitieuze roman. Want Kirabo’s verhaal overstijgt de contouren van Oeganda. Het gaat eveneens over jou en mij – of we nu m, v of x zijn – en over de patronen die ook onze positie expliciet of impliciet beïnvloeden. Dus, hoezo is wachten een ”dood” moment? Daar is niets van aan, dankzij Makumbi had ik tijdens mijn anderhalf uur aan de rand van het hockeyveld meer dan genoeg stof tot nadenken.

Kijk – wijzer

Elk jaar ontdek ik er minstens eentje tussen de lezers uit het derde en vierde leerjaar voor de Leesjury (voorheen KJV, Kinder – en Jeugdjury): een tekstkind.
Deze term behoort geloof ik niet tot het officiële vakjargon, ik heb het ook niet zelf bedacht, vast ergens opgepikt. Een tekstkind is een kind dat de letters op papier gretig opslorpt maar achteloos over de illustraties heen kijkt. In de boeken voor hun leeftijd staan vaak nog (veel) tekeningen en toch hebben ze er nauwelijks aandacht voor, alsof ze niet bestaan. Weinig aan te doen, dat is nu eenmaal hun manier van lezen.

Woorden én illustraties in de boeken voor de Leesjury.

Tekstkind of niet, gericht kijken naar illustraties is een leerproces, een vaardigheid die we via sturende vragen kunnen stimuleren. Deze vorming is belangrijk om voorbij snelle oordelen als mooi/niet mooi, leuk/niet leuk te gaan en zo hun blik te verruimen en te onderbouwen. Vragen over kijken naar illustraties (en naar kunst tout court) zijn doorgaans geïnspireerd op Parsons’ theorie over de vijf ontwikkelingsfases (“brillen”) van kunstbeleving. Dit raamwerk gebruik ik zelf ook bij de analyse en beoordeling van illustraties bij recensiewerk. Voorheen probeerde ik vaak in een oogopslag mijn mening te vormen. Dat lukte zelden – logisch! Ik bleef aan de oppervlakte dobberen en had moeite om mijn observaties in woorden te vatten. Nu neem ik mijn tijd en stel ik mezelf telkens dezelfde cruciale vraag: wat zie ik nu precies?
Gericht kijken vraagt tijd en geduld. Naar lijnen, vormen, kleuren, compositie, details, materiaal. Het is kijken in veelvoud. Op die manier ziet men het vakmanschap van de illustrator/illustratrice in al zijn facetten en krijgt de illustratie wat ze verdient: niets minder dan onze gulste aandacht.

Herfstfestijn

Op de rivier

stapt de zon in een kano.

Bij zoveel licht

knijpt de dag zijn ogen dicht.

Achter de bomen

wacht de rosse avond.

Straks spreidt hij zijn armen,

knipt tussen twee droge vingers

het donker aan.

Het donker dat zonder dralen

en met één grote hap

alle kleuren opeet.

(Gil vander Heyden)

In beeld #5

Recensenten geven maximaal vijf sterren. Vijf sterren staan voor onvergetelijk – niet te missen – must read – subliem. Maar soms doen vijf sterren, slechts vijf sterren, oneer aan een boek. Het mag wat guller zijn. Zoals deze keer.
In mijn recensiewerk voor Pluizer* ben ik best wel kritisch, maar nu liet ik me graag bedwelmen door Het bamboemeisje, de sublieme intimistische beeldroman van Mattias De Leeuw en Edward van de Vendel. Deze Japanse vertelling is zo oogstrelend mooi en zo poëtisch in woord en beeld dat vijf sterren simpelweg onvoldoende blijken.

Alleen maar lof dus voor het ambacht van illustrator Mattias De Leeuw. In dit boek heeft hij zichzelf overtroffen. Penseel en aquarel, dat is alles wat hij nodig heeft om een hele wereld te evoceren. Zijn illustraties lijken in een snelle, schijnbaar achteloze beweging geschilderd – dat is zijn signatuur. Hij doet schilderen o zo makkelijk lijken – alsof wij dat ook even snel zouden kunnen.
Wat ik als leek echt knap vind is hoe hij hier met enkele losse lijnen en kleurvlakken intense gevoelens van tederheid kan weergeven. Kom, blader even mee en neem de tijd voor heerlijk kijken in stilte en traagte.

In beeld is een aparte rubriek omdat beelden verder reiken dan woorden, het onverwoordbare kunnen verwoorden. (omschrijving van illustratrice Sabien Clement)

* Pluizer is een online databank met recensies van kinder- en jeugdliteratuur door een twintigtal vrijwilligers.

Mijn volledige recensie van Het bamboemeisje vind je trouwens hier.

Nieuwe cyclus

Ik lees graag in cycli, zo stel ik vast.
Ik bedoel daarmee dat ik graag veel van eenzelfde auteur of literaire regio lees alvorens andere namen en oorden te verkennen. Natuurlijk neem ik tussendoor ook andere verhalen tot mij, maar ik zal niet zo snel van een Nederlandstalige auteur naar een Russisch werk snellen om via een overzeese schrijfster terug in de Lage Landen aan te meren. Ik hou ervan om voor lange tijd in dezelfde mentaal – literaire ruimte te verblijven, om een literaire ontdekkingsreis te ondernemen die gaandeweg behaaglijk en vertrouwd aanvoelt.

Woorden, zinnen en verhalen komen vanuit alle windstreken naar mij toe, en dat vind ik heerlijk! Toch was er een gebied, zeg maar een heel continent, dat ik niet durfde te betreden; lange tijd liep ik met schroom om auteurs met Afrikaanse roots heen. Ik heb niet echt een persoonlijke band met Afrika en meende daardoor geen aanknopingspunten te vinden. Onterecht natuurlijk. Hoog tijd dus om mijn vizier scherper te stellen.
Bij deze eerste schuchtere stappen was de Brits – Nigeriaanse schrijfster Bernardine Evaristo (1959) mijn innemende gids. Van haar las ik de roman Meisje, Vrouw, Anders (Girl, Woman, Other), dat eind 2019 met de Booker Prize* werd bekroond en ook bij het internationale lezerspubliek geestdriftig onthaald wordt, niet in het minst bij vrouwen van kleur. Ik sluit me graag bij hun lofzang aan en hoop vurig ook jou tot het lezen van deze roman te verleiden. Want, wow, wat een knap boek is dit!

Knappe cover, niet? De cover van de Nederlandstalige versie is trouwens ook de moeite.

Meisje, Vrouw, Anders biedt twaalf portretten van twaalf mensen, overwegend (Britse) vrouwen van kleur, wiens levens in mindere of meerdere mate met elkaar verweven zijn. Het zijn telkens korte, indringende verhalen over hun dromen, overtuigingen en geheimen, over hun ontplooiing en pijn, over hun blutsen en builen. Kortom, over hoe een mensenleven zich kan ontvouwen. Evaristo schetst een heterogeen beeld van een gemeenschap in diaspora die wij al te vaak veralgemenend als de Nigeriaanse of godbetert de Afrikaanse gemeenschap definiëren en grotendeels vanuit onze eigen Westerse blik benaderen.
Hun levens raken actuele vraagstukken als feminisme, sekse en gender en inclusie en representatie van minderheden. Dat zijn thema’s die Evaristo na aan het hart liggen, zonder te moraliseren of dramatiseren. Meisje, Vrouw, Anders is zeker geen pure ideeënroman of psychologische roman; het is vooreerst een mozaïek van twaalf individuen die zijn zoals ze zijn. Haar boek wordt omschreven als een polyfonie van zwarte stemmen, en zo klinkt het ook: levendig, energiek en aanstekelijk.

Evaristo’s observaties zijn scherp, eerlijk en onverbloemd maar ook gracieus, schalks en empathisch. Ze jongleert eveneens met de gangbare conventies inzake spelling en interpunctie: bij haar geen hoofdletters of punten in een zin; elke zin start op een nieuwe regel. Mijns inziens weerspiegelt deze vrije literaire vorm heel knap de meanderende stroom van gedachten, gevoelens en ervaringen van de twaalf geportretteerden.

Twaalf individuen, dat betekent in essentie ook twaalf zeer persoonlijke ervaringen over (schijnbaar) eenzelfde realiteit. Steeds wordt – soms pijnlijk – duidelijk hoe subjectief de individuele ervaring is, gefragmenteerd en gevormd door kwetsuren, verwachtingen of verlangens. En eens te meer blijkt dat we de Ander nooit helemaal kunnen kennen, alleen wat hij/zij/hen wenst/kan/durft te onthullen. En dat geldt uiteindelijk ook voor onze relatie met Evaristo’s personages. Als lezer wandelen we hun levens binnen, we leren hen kennen als waren ze echte mensen (want zo voelt het) maar wat weten we nu echt van hen? Alleen datgene wat de auteur aan het papier wil toevertrouwen.

* the Booker Prize: jaarlijkse prijs voor de beste Engelstalige literaire fictie. Evaristo was de eerste zwarte vrouw die deze eer te beurt viel. Ze moest de prijs wel delen met Margaret Atwood.

Zomerdollen

Daar is de zon (of niet)! Daar is de zomer! En dan mag een seizoenskaramelleke natuurlijk niet ontbreken.

Blootsvoets

In de zomer keert het huis

binnenstebuiten. Het zand

kruipt tussen onze lakens en

de lakens tussen de struiken.

We slapen in tenten die naar

winter ruiken en de stortbui

duurt, maar bang worden we

nooit. We hebben papa die

ons over zijn schouder gooit.

Ons bed wordt korter dan

de rest. De dagen worden

ouder. We lopen blootsvoets.

Zonder schoenen zien we

niet dat onze voeten groeien.


(Bart Moeyaert)

Voorbij de cijfers

Al te vaak zijn ze slechts onderdeel van statistieken of algemene analyses, al die naamloze slachtoffers van de geschiedenis.
Maar hebben niet alle doden, gewonden, vermisten, vluchtelingen en ontheemden een uniek persoonlijk verhaal dat er toe doet?
Wie kent deze vergeten mensen nog?
Wie noteert hun verhaal?
En ook: wie luistert?
Naar hen luisteren is een oprechte erkenning van hun mens-zijn.
Dat besefte ik eens te meer door het beklemmende autobiografische tweeluik van de Duitse schrijfster Natascha Wodin (1945).

In Ze kwam uit Marioepol en Ergens in dit duister ontrafelt Wodin het verborgen verleden van haar moeder en haar vader in een poging ook zichzelf beter te leren kennen. Als dwangarbeiders uit Oekraïne blijven ze na 1945 als ‘ontheemde buitenlanders’ in Duitsland, ontworteld en gedoemd tot een leven aan de onderkant van de samenleving. Ze vinden er hun plaats niet. Ze voelen geen grond onder hun voeten. Ze horen er nooit bij.
Ze probeert het fascinerende maar tragische leven van haar aristocratische moeder te reconstrueren, voor wie het leven te zwaar bleek en die zelfmoord pleegde toen Natascha tien was. Ze rekent af met haar stugge vader, met wie ze een moeizame, gecompliceerde relatie heeft. Door zijn hardnekkig stilzwijgen blijven veel vragen over zijn verleden onbeantwoord.

Het zijn twee aangrijpende portretten van twee mensen die voor hun dochter uiteindelijk grotendeels vreemden blijven.

Ik heb beide boeken af en toe opzij moeten leggen, om even op adem te komen. Voor ons, lezers, is haar verhaal gewoon fictie. Voor haar is het ‘gewoon’ haar léven. Ze kan niet ontsnappen.
Ze schrijft enigszins zakelijk, zonder pathos. Ze presenteert zich in geen geval als slachtoffer. Ze heeft het gered, zoals ze zelf aangeeft. Maar ze kan het niet mooier of zachter maken dan het is.

Dit is wat oorlog kan aanrichten.

Achter elk cijfer klopt een hart.

In het kader van Wereldvluchtelingendag 20 juni